Categorie: Woordenlijsten

  • Les 1 Kennis maken – woordenlijst

    Les 1 Kennis maken – woordenlijst

    Overzicht woordenlijsten

    acht [num]: eight
    achter [pre]: behind
    achternaam (de) [noun]: surname
    allemaal [num]: all, every
    ananas (de) [noun]: pineapple
    antwoord (het) [noun]: answer
    appel (de) [noun]: apple
    avond (de) [noun]: evening
    baard (de) [noun]: beard
    bad (het) [noun]: bath
    bank (de) [noun]: bank
    bed (het) [noun]: bed
    beer (de) [noun]: bear
    bil (de) [noun]: buttock
    blauw [adj]: blue
    boek (het) [noun]: book
    boom (de) [noun]: tree
    bord (het) [noun]: board
    brief (de) [noun]: letter
    brood (het) [noun]: bread
    bus (de) [noun]: bus
    dag (de) [noun]: day
    dank (de) [noun]: thanks
    de [art]: the
    dictee (het) [noun]: dictation
    dik [adj]: thick
    dit [pro]: this
    docent (de) [noun]: lecturer
    donkere [adj]: dark
    dorp (het) [noun]: village
    draad (de) [noun]: wire
    drie [num]: three
    dun [adj]: thin
    duur [adj]: duration
    een [num]: An
    één [num]: one (1)
    einde (het) [noun]: end
    en [con]: and
    eten [verb]: to eat
    feest (het) [noun]: party
    filippine-puzzel (de) [noun]: Philippine puzzle
    geboren [adv]: born
    geel [adj]: yellow
    geld (het) [noun]: money
    geven [verb]: give
    goededag [exp]: good day
    goedemiddag [exp]: Good afternoon
    goedemorgen [exp]: Good morning
    goedenavond [exp]: Good evening
    groen [adj]: green
    groeten [verb]: greetings
    groot [adj]: big
    haan (de) [noun]: rooster
    hand (de) [noun]: hand
    het [art]: It
    hij [ppro]: he
    hoe [adv]: how
    hond (de) [noun]: dog
    ik [ppro]: I
    in [pre]: in
    jaar (het) [noun]: year
    je [ppro]: you
    jij [ppro]: you
    jongen (de) [noun]: boy
    juf (de) [noun]: woman teacher
    jullie [ppro]: plural you, your
    kast (de) [noun]: cupboard
    keel (de) [noun]: throat
    kennis (de) [noun]: knowledge
    kers (de) [noun]: cherry
    kind (het) [noun]: child
    kleur (de) [noun]: colour
    klinker (de) [noun]: vowel
    kom (de) [noun]: a bowl, to come
    korte [adj]: short
    krijgen [verb]: to get
    kus (de) [noun]: kiss
    lang [adj]: long
    lezen [verb]: read
    links [adj]: left
    maan (de) [noun]: Moon
    maken [verb]: to make
    man (de) [noun]: man
    meisje (het) [noun]: girl
    melk (de) [noun]: milk
    meneer (de) [noun]: sir
    mens (de) [noun]: person, human
    met [pre]: with
    mevrouw (de) [noun]: Madam
    middag (de) [noun]: afternoon
    mijn [pro]: my, mine
    morgen (de) [noun]: tomorrow
    muts (de) [noun]: hat
    muur (de) [noun]: wall
    naast [pre]: next to
    nacht (de) [noun]: night
    nederland [name]: The Netherlands
    nederlands [adj]: Dutch
    negen [num]: nine
    nul [num]: zero
    of [con]: or
    onder [pre]: under
    op [pre]: on
    oud [adj]: old
    pen (de) [noun]: pen
    pil (de) [noun]: pill
    poes (de) [noun]: woman cat, sweet cat
    praten [verb]: talk
    rood [adj]: red
    schrijven [verb]: to write
    ster (de) [noun]: star
    stoel (de) [noun]: chair
    student (de) [noun]: student
    stuur (het) [noun]: steer (car, bicycle)
    tafel (de) [noun]: table
    tas (de) [noun]: bag
    tellen [verb]: to count
    tien [num]: ten
    tot [pre]: to, until
    tussen [pre]: between
    twaalf [num]: twelve
    twee [num]: two
    u [ppro]: you formal, respect
    uit [pre]: out
    uur (het) [noun]: o’clock
    van [pre]: by, from, of
    vier [num]: four
    vijf [num]: five
    volgende [num]: next
    voor [pre]: for
    voornaam (de) [noun]: first name
    vraag (de) [noun]: question mark
    vragen [verb]: to ask
    vrouw (de) [noun]: woman
    vuur (het) [noun]: fire
    waar [adv]: true, where
    wat [adv]: what
    week (de) [noun]: week
    wel [adv]: well, yes, indeed
    welke [adv]: which
    wie [adv]: who
    wij [ppro]: We
    wit [adj]: white
    zes [num]: six
    zeven [num]: seven
    zij [ppro]: she (single), they (plural)
    zijn [verb]: are
    zin (de) [noun]: sentence
    zitten [verb]: to sit
    zon (de) [noun]: sun
    zoon (de) [noun]: son
    zwart [adj]: black
  • Les 1 Kennis maken – woordenlijst PDF

    Les 1 Kennis maken – woordenlijst PDF

    Overzicht woordenlijsten

  • Les 2 Het huis – woordenlijst

    Les 2 Het huis – woordenlijst

    Overzicht woordenlijsten

    aan [adj]: on
    aanrecht (het) [noun]: kitchen counter
    aanwijzen [verb]: to assign, point at
    aardappel (de) [noun]: potato
    acht [num]: eight
    af [pre]: off
    altijd [adv]: always
    antwoord (het) [noun]: answer
    bad (het) [noun]: bath
    badkamer (de) [noun]: bathroom
    bank (de) [noun]: bank
    bed (het) [noun]: bed
    beginnen [verb]: begin
    beneden [adj]: downstairs
    bezem (de) [noun]: broom
    blauw [adj]: blue
    boek (het) [noun]: book
    boven [adj]: above
    bruin [adj]: brown
    buiten [adv]: outside
    cijfer (het) [noun]: number
    computer (de) [noun]: computer
    daar [adv]: there
    dak (de) [noun]: roof
    dat [pro]: that
    de [art]: the
    deken (de) [noun]: blanket
    deur (de) [noun]: door
    deze [pro]: this / these
    dicht [adj]: closed
    dictee (het) [noun]: dictation
    die [pro]: that / those
    dit [pro]: this
    docent (de) [noun]: lecturer
    doek (de) [noun]: cloth
    doen [verb]: doing
    donker [adj]: dark
    douche (de) [noun]: shower
    drie [num]: three
    droog [adj]: dry
    dweilen [verb]: mop
    een [num]: An
    eindigen [verb]: end, finish
    emmer (de) [noun]: bucket
    en [con]: and
    eten [verb]: to eat
    fornuis (het) [noun]: oven
    foto (de) [noun]: photo
    gaan [verb]: to go
    geel [adj]: yellow
    goedemorgen [exp]: Good morning
    gordijn (het) [noun]: curtain
    grammatica (de) [noun]: grammar
    groen [adj]: green
    handdoek (de) [noun]: towel
    hebben [verb]: to have
    het [art]: It
    hier [adv]: here
    hij [ppro]: he
    hoeveel [pro]: how many
    hoofdletter (de) [noun]: capital letter
    huis (het) [noun]: house
    huishouden (het) [noun]: households
    huiskamer (de) [noun]: living room
    ik [ppro]: I
    in [pre]: in
    ja [adv]: Yes
    jij [ppro]: you
    jongen (de) [noun]: boy
    kamer (de) [noun]: room
    kast (de) [noun]: cupboard
    keuken (de) [noun]: kitchen
    kijken [verb]: to look
    kleed (het) [noun]: carpet, cloth, dress
    klein [adj]: small
    klok (de) [noun]: clock
    koelkast (de) [noun]: refrigerator
    koken [verb]: to cook
    kopen [verb]: buy
    kraan (de) [noun]: crane
    kussen (het) [noun]: to kiss
    lachen [verb]: laugh
    laken (het) [noun]: sheet
    lamp (de) [noun]: lamp
    letter (de) [noun]: character (a, b, c)
    licht [adj]: light
    liggen [verb]: to lie down
    lopen [verb]: to walk
    lucht (de) [noun]: air
    magnetron (de) [noun]: microwave
    maken [verb]: to make
    met [pre]: with
    mijn [pro]: my, mine
    mijzelf [adv]: myself
    moe [adj]: tired
    muur (de) [noun]: wall
    naar [pre]: to (direction)
    naast [pre]: next to
    nat [adj]: wet
    nee [adv]: no
    negen [num]: nine
    niet [adv]: not
    nul [num]: zero
    of [con]: or
    om [pre]: to, around, at (time)
    onder [pre]: under
    ook [adv]: also
    op [pre]: on
    open [adj]: Open
    pan (de) [noun]: Pan
    pech (de) [noun]: bad luck
    plant (de) [noun]: plant
    poes (de) [noun]: woman cat, sweet cat
    punt (de) [noun]: point
    raam (het) [noun]: window
    radio (de) [noun]: radio
    rijst (de) [noun]: rice
    ring (de) [noun]: ring
    rood [adj]: red
    schoon [adj]: clean
    slaapkamer (de) [noun]: bedroom
    slang (de) [noun]: snake
    slapen [verb]: to sleep
    spiegel (de) [noun]: mirror
    spons (de) [noun]: sponge
    staan [verb]: to stand
    stoel (de) [noun]: chair
    stofzuiger (de) [noun]: vacuum cleaner
    sturen [verb]: to steer
    stuur (het) [noun]: steer (car, bicycle)
    tafel (de) [noun]: table
    tandenborstel (de) [noun]: toothbrush
    tang (de) [noun]: pliers
    tegenstelling (de) [noun]: contrast, contradiction
    televisie (de) [noun]: television
    tellen [verb]: to count
    tien [num]: ten
    tong (de) [noun]: tongue
    tuin (de) [noun]: garden
    twaalf [num]: twelve
    twee [num]: two
    ui (de) [noun]: onion
    uit [pre]: out
    uur (het) [noun]: o’clock
    van [pre]: by, from, of
    vegen [verb]: sweep
    vier [num]: four
    vies [adj]: dirty
    vijf [num]: five
    vloer (de) [noun]: floor
    vraag (de) [noun]: question mark
    vraagteken (het) [noun]: question mark
    waar [adv]: true, where
    wakker [adj]: awake
    warm [adj]: warm
    washand (de) [noun]: washcloth
    wassen [verb]: to wash
    wastafel (de) [noun]: washbasin
    wat [adv]: what
    water (het) [noun]: water
    wc (de) [noun]: toilet
    wekker (de) [noun]: alarm clock
    welke [adv]: which
    welterusten [exp]: Good night
    wij [ppro]: We
    wonen [verb]: to live (in a house, city)
    worden [verb]: become
    zeep (de) [noun]: soap
    zeggen [verb]: to say
    zes [num]: six
    zeven [num]: seven
    zij [ppro]: she (single), they (plural)
    zijn [verb]: are
    zin (de) [noun]: sentence
    zitten [verb]: to sit
    zolder (de) [noun]: attic
    zuigen [verb]: suck
    zwabber (de) [noun]: mop for cleaning the floor
  • Les 3 De tijd – woordenlijst

    Les 3 De tijd – woordenlijst

    Overzicht woordenlijsten

    acht [num]: eight
    afspraak (de) [noun]: appointment
    agenda (de) [noun]: agenda
    antwoord (het) [noun]: answer
    april [name]: April
    augustus [name]: August
    avond (de) [noun]: evening
    bank (de) [noun]: bank
    beginnen [verb]: begin
    bloeien [verb]: bloom
    bloem (de) [noun]: flower
    boom (de) [noun]: tree
    bruin [adj]: brown
    buiten [adv]: outside
    dag (de) [noun]: day
    dagdeel (het) [noun]: part of the day
    datum (de) [noun]: date
    de [art]: the
    december [name]: December
    detail (het) [noun]: detail
    dictee (het) [noun]: dictation
    dinsdag [name]: Tuesday
    dit [pro]: this
    donderdag [name]: Thursday
    donker [adj]: dark
    drie [num]: three
    een [num]: An
    één [num]: one (1)
    eergisteren [adv]: the day before yesterday
    ei (het) [noun]: egg
    elf [num]: eleven
    en [con]: and
    eten [verb]: to eat
    februari [name]: February
    gaan [verb]: to go
    geboren [adv]: born
    geel [adj]: yellow
    geen [num]: no
    gisteren [adv]: yesterday
    goed [adv]: Good
    grammatica (de) [noun]: grammar
    groen [adj]: green
    haan (de) [noun]: rooster
    half [adj]: half
    hebben [verb]: to have
    herfst (de) [noun]: autumn
    het [art]: It
    heten [verb]: to be named
    hij [ppro]: he
    hoe [adv]: how
    ik [ppro]: I
    in [pre]: in
    ja [adv]: Yes
    jaar (het) [noun]: year
    januari [name]: January
    jij [ppro]: you
    juli [name]: July
    jullie [ppro]: plural you, your
    juni [name]: June
    kerstmis (de) [noun]: Christmas
    kijken [verb]: to look
    kind (het) [noun]: child
    klok (de) [noun]: clock
    komen [verb]: to come
    kort [adv]: short
    koud [adj]: cold
    kraaien [verb]: crows
    kukelekuu [exp]: cock-a-doodle-doo
    kwart [num]: quarter
    kwartier (het) [noun]: quarter hour
    laat [adv]: late (in time)
    lam (het) [noun]: lamb
    lang [adj]: long
    leggen [verb]: to lay
    lente (de) [noun]: spring
    les (de) [noun]: lesson
    maan (de) [noun]: Moon
    maand (de) [noun]: month
    maandag [name]: Monday
    maart [name]: March
    mei [name]: May
    mens (de) [noun]: person, human
    met [pre]: with
    middag (de) [noun]: afternoon
    mijn [pro]: my, mine
    minuut (de) [noun]: minute
    morgen (de) [noun]: tomorrow
    naar [pre]: to (direction)
    nacht (de) [noun]: night
    nee [adv]: no
    negen [num]: nine
    nieuw [adj]: new
    november [name]: November
    ochtend [adv]: morning
    oktober [name]: October
    om [pre]: to, around, at (time)
    onder [pre]: under
    onderwerp (het) [noun]: subject
    op [pre]: on
    over [pre]: about
    overmorgen [adv]: the day after tomorrow
    precies [adv]: precisely
    puzzel (de) [noun]: puzzle
    regenen [verb]: rain
    ‘s avonds [adv]: in the evening
    ‘s middags [adv]: in the afternoon
    ‘s morgens [adv]: in the morning
    ‘s nachts [adv]: at night
    schijnen [verb]: to shine
    school (de) [noun]: school
    schrikken [verb]: to startle
    seizoen (het) [noun]: season
    september [name]: September
    slapen [verb]: to sleep
    sneeuwen [verb]: to snow
    spelen [verb]: to play
    ster (de) [noun]: star
    strand (het) [noun]: beach
    televisie (de) [noun]: television
    twaalf [num]: twelve
    twee [num]: two
    uur (het) [noun]: o’clock
    van [pre]: by, from, of
    vier [num]: four
    vijf [num]: five
    volgende [num]: next
    voor [pre]: for
    vraag (de) [noun]: question mark
    wat [adv]: what
    week (de) [noun]: week
    welke [adv]: which
    wij [ppro]: We
    worden [verb]: become
    zes [num]: six
    zeven [num]: seven
    zijn [verb]: are
    zitten [verb]: to sit
    zon (de) [noun]: sun
  • Les 4 Het lichaam – woordenlijst

    Les 4 Het lichaam – woordenlijst

    Overzicht woordenlijsten

    aan [adj]: on
    achter [pre]: behind
    afspraak (de) [noun]: appointment
    antwoord (het) [noun]: answer
    apotheek (de) [noun]: pharmacy
    arm (de) [noun]: arm
    auto (de) [noun]: auto
    baby (de) [noun]: baby
    bed (het) [noun]: bed
    been (het) [noun]: leg
    beter [adv]: better
    beterschap (de) [noun]: get well soon
    bezem (de) [noun]: broom
    blij [adj]: pleased
    blijven [verb]: to stay
    borstel (de) [noun]: brush
    brengen [verb]: to bring
    brood (het) [noun]: bread
    buik (de) [noun]: belly
    dank (de) [noun]: thanks
    dat [pro]: that
    de [art]: the
    diagnose (de) [noun]: diagnosis
    dictee (het) [noun]: dictation
    dit [pro]: this
    doen [verb]: doing
    dokter (de) [noun]: doctor (medical)
    douche (de) [noun]: shower
    drie [num]: three
    droog [adj]: dry
    druif (de) [noun]: grape
    duim (de) [noun]: thumb
    een [num]: An
    en [con]: and
    enkelvoud (het) [noun]: singular
    er [adv]: there
    filippine (de) [noun]: Philippine
    gaan [verb]: to go
    geen [num]: no
    gelukkig [adv]: happy
    geven [verb]: give
    gezicht (het) [noun]: sight
    gezond [adj]: healthy
    goed [adv]: Good
    goedemiddag [exp]: Good afternoon
    gordijn (het) [noun]: curtain
    graad (de) [noun]: degree
    griep (de) [noun]: flu
    haar (het) [noun]: her
    haardroger (de) [noun]: hairdryer
    haas (de) [noun]: hare
    half [adj]: half
    hand (de) [noun]: hand
    handdoek (de) [noun]: towel
    hebben [verb]: to have
    het [art]: It
    hij [ppro]: he
    hoe [adv]: how
    hoesten [verb]: coughing
    hoofd (het) [noun]: head
    hoofdpijn (de) [noun]: headache
    hoog [adj]: high
    huis (het) [noun]: house
    huisbezoek (het) [noun]: home visit
    ik [ppro]: I
    in [pre]: in
    jij [ppro]: you
    jou [ppro]: to you
    jouw [ppro]: your
    jullie [ppro]: plural you, your
    kam (de) [noun]: comb (for hair)
    kamer (de) [noun]: room
    kammen [verb]: to comb (hair)
    kapot [adv]: broken
    kast (de) [noun]: cupboard
    keel (de) [noun]: throat
    keelpijn (de) [noun]: a sore throat
    kiespijn (de) [noun]: toothache
    kijken [verb]: to look
    kind (het) [noun]: child
    klinker (de) [noun]: vowel
    knie (de) [noun]: knee
    knippen [verb]: to cut
    komen [verb]: to come
    koorts (de) [noun]: fever
    kussen (het) [noun]: to kiss
    laat [adv]: late (in time)
    last (de) [noun]: burden, trouble, problem
    leerling (de) [noun]: student
    les (de) [noun]: lesson
    lichaam (het) [noun]: body
    maar [adv]: but
    maken [verb]: to make
    man (de) [noun]: man
    me [ppro]: me
    medicijn (de) [noun]: medicine
    meervoud (het) [noun]: plural
    meisje (het) [noun]: girl
    mens (de) [noun]: person, human
    met [pre]: with
    meten [verb]: to measure
    mij [ppro]: me
    mijn [pro]: my, mine
    moeten [verb]: must
    mond (de) [noun]: mouth
    naar [pre]: to (direction)
    nagel (de) [noun]: nail
    nagelschaar (de) [noun]: nail scissors
    nat [adj]: wet
    nederlands [adj]: Dutch
    nee [adv]: no
    neus (de) [noun]: nose
    niet [adv]: not
    normaal [adj]: normal
    nu [adv]: now
    of [con]: or
    oksel (de) [noun]: armpit
    om [pre]: to, around, at (time)
    onder [pre]: under
    ons [ppro]: us
    oog (het) [noun]: eye
    ook [adv]: also
    oor (het) [noun]: ear
    op [pre]: on
    overgeven [verb]: vomit, throw up (food)
    patiënt (de) [noun]: patient
    pen (de) [noun]: pen
    pijn [adj]: pain
    poes (de) [noun]: woman cat, sweet cat
    recept (het) [noun]: recipe
    regel (de) [noun]: rule
    schaar (de) [noun]: pair of scissors
    schoen (de) [noun]: shoe
    schouder (de) [noun]: shoulder
    schrijven [verb]: to write
    shampoo (de) [noun]: shampoo
    snel [adv]: fast
    staan [verb]: to stand
    stil [adv]: quiet, silent
    stoel (de) [noun]: chair
    syriër (de) [noun]: Syrian
    tafel (de) [noun]: table
    te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much)
    teen (de) [noun]: toe
    temperatuur (de) [noun]: temperature
    thermometer (de) [noun]: thermometer
    thuis [adv]: At home
    tien [num]: ten
    tijd (de) [noun]: time
    twee [num]: two
    u [ppro]: you formal, respect
    uw [ppro]: your formal, respect
    vakantie (de) [noun]: vacation
    van [pre]: by, from, of
    vanmiddag [adv]: this afternoon
    verhoging (de) [noun]: elevation, low fever
    verkouden [adj]: cold. sick, running nose
    vier [num]: four
    vinger (de) [noun]: finger
    voet (de) [noun]: foot
    vraag (de) [noun]: question mark
    vragen [verb]: to ask
    vrouw (de) [noun]: woman
    vullen [verb]: fill
    waar [adv]: true, where
    wassen [verb]: to wash
    wat [adv]: what
    water (het) [noun]: water
    weer [adv]: weather
    wel [adv]: well, yes, indeed
    weten [verb]: to know
    wij [ppro]: We
    zeep (de) [noun]: soap
    ziek [adj]: sick
    zien [verb]: to see
    zij [ppro]: she (single), they (plural)
    zijn [verb]: are
    zitten [verb]: to sit
    zullen [verb]: shall
  • Les 4 Het lichaam – woordenlijst PDF

    Les 4 Het lichaam – woordenlijst PDF

    Overzicht woordenlijsten

  • Les 5 In de winkel – woordenlijst

    Les 5 In de winkel – woordenlijst

    Overzicht woordenlijsten

    aan [adj]: on
    acht [num]: eight
    achter [pre]: behind
    achterste [adj]: rear, last
    als [adv]: as
    appel (de) [noun]: apple
    automaat (de) [noun]: automatic machine
    baard (de) [noun]: beard
    badkamer (de) [noun]: bathroom
    banaan (de) [noun]: banana
    band (de) [noun]: band
    bank (de) [noun]: bank
    bankpas (de) [noun]: bank card
    betaalautomaat (de) [noun]: payment terminal
    betalen [verb]: pay
    bij [adv]: bee
    blauw [adj]: blue
    bloem (de) [noun]: flower
    boek (het) [noun]: book
    boodschap (de) [noun]: errand
    bos (het) [noun]: bunch
    broccoli (de) [noun]: broccoli
    dan [adv]: than
    de [art]: the
    delen [verb]: to share
    deze [pro]: this / these
    dictee (het) [noun]: dictation
    dik [adj]: thick
    dit [pro]: this
    doen [verb]: doing
    door [pre]: Through
    drie [num]: three
    duizend [num]: thousand
    dun [adj]: thin
    duur [adj]: duration
    een [num]: An
    eerste [adj]: first
    elf [num]: eleven
    en [con]: and
    enkelvoud (het) [noun]: singular
    eten [verb]: to eat
    euro (de) [noun]: euro
    evenveel [adv]: as much
    filippine (de) [noun]: Philippine
    fles (de) [noun]: bottle
    fruit (het) [noun]: fruit
    gaan [verb]: to go
    geld (het) [noun]: money
    genoeg [adv]: enough
    goedkoop [adj]: cheap
    gram (de) [noun]: gram
    groen [adj]: green
    groente (de) [noun]: vegetables
    groot [adj]: big
    haar (het) [noun]: her
    half [adj]: half
    hebben [verb]: to have
    het [art]: It
    hij [ppro]: he
    hond (de) [noun]: dog
    honderd [num]: one hundred
    hoofd (het) [noun]: head
    huis (het) [noun]: house
    ik [ppro]: I
    in [pre]: in
    jas (de) [noun]: coat
    je [ppro]: you
    jij [ppro]: you
    jong [adj]: young
    jongen (de) [noun]: boy
    jouw [ppro]: your
    jullie [ppro]: plural you, your
    kapot [adv]: broken
    kassa (de) [noun]: cash register, money counter
    kassabon (de) [noun]: cash receipt
    keer (de) [noun]: time, times (one time, two times)
    kers (de) [noun]: cherry
    kijken [verb]: to look
    kilo (de) [noun]: kilo
    kin (de) [noun]: chin
    kind (het) [noun]: child
    klein [adj]: small
    kleur (de) [noun]: colour
    kopen [verb]: buy
    kosten [verb]: costs
    krijgen [verb]: to get
    kussen (het) [noun]: to kiss
    lachen [verb]: laugh
    leggen [verb]: to lay
    lekker [adj]: tasty, nice (food, smell, feeling, weather)
    lelijk [adj]: ugly
    letter (de) [noun]: character (a, b, c)
    lettergreep (de) [noun]: syllable
    lief [adj]: sweet, nice (person)
    liggen [verb]: to lie down
    lopen [verb]: to walk
    maar [adv]: but
    maken [verb]: to make
    man (de) [noun]: man
    meer [adv]: more
    meervoud (het) [noun]: plural
    meisje (het) [noun]: girl
    mens (de) [noun]: person, human
    met [pre]: with
    middelste [adj]: middle one
    mijn [pro]: my, mine
    min [adv]: minus
    minder [adv]: fewer
    mooi [adj]: nice, beautiful
    naar [pre]: to (direction)
    naast [pre]: next to
    nee [adv]: no
    negen [num]: nine
    niet [adv]: not
    nieuw [adj]: new
    nu [adv]: now
    of [con]: or
    ons [ppro]: us
    ook [adv]: also
    op [pre]: on
    oud [adj]: old
    paardenstaart (de) [noun]: ponytail
    paars [adj]: purple
    pen (de) [noun]: pen
    per [adv]: per
    pet (de) [noun]: cap
    pinbon (de) [noun]: pin receipt
    pincode (de) [noun]: PIN code
    plus [adv]: plus
    poes (de) [noun]: woman cat, sweet cat
    portemonnee (de) [noun]: wallet
    precies [adv]: precisely
    prijs (de) [noun]: price
    puzzel (de) [noun]: puzzle
    rangtelwoord (het) [noun]: ordinal number
    rij (de) [noun]: row
    schap (het) [noun]: shelf in a shop
    schilderij (het) [noun]: painting
    schoon [adj]: clean
    schrift (het) [noun]: notebook
    shampoo (de) [noun]: shampoo
    slapen [verb]: to sleep
    spinazie (de) [noun]: spinach
    staan [verb]: to stand
    staart (de) [noun]: tail
    stoel (de) [noun]: chair
    stout [adj]: stout
    tachtig [num]: eighty
    tafel (de) [noun]: table
    tas (de) [noun]: bag
    te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much)
    tegenstelling (de) [noun]: contrast, contradiction
    tien [num]: ten
    toets (de) [noun]: key on keyboard
    toetsen [verb]: to key in on keyboard
    tros [num]: bunch
    twaalf [num]: twelve
    twee [num]: two
    ui (de) [noun]: onion
    van [pre]: by, from, of
    veel [num]: a lot of
    vest (het) [noun]: vest
    vier [num]: four
    vies [adj]: dirty
    vijf [num]: five
    vlees (het) [noun]: meat
    voor [pre]: for
    voorste [adj]: front, first
    vrouw (de) [noun]: woman
    waar [adv]: true, where
    want [con]: because
    wat [adv]: what
    wc (de) [noun]: toilet
    weinig [num]: few
    wel [adv]: well, yes, indeed
    welke [adv]: which
    wie [adv]: who
    wij [ppro]: We
    willen [verb]: to want, wish
    winkel (de) [noun]: shop
    winkelmand (de) [noun]: shopping basket
    winkelwagen (de) [noun]: shopping cart
    wit [adj]: white
    worst (de) [noun]: sausage
    zes [num]: six
    zeven [num]: seven
    zij [ppro]: she (single), they (plural)
    zijn [verb]: are
    zin (de) [noun]: sentence
    zwart [adj]: black