Les 9 Het vervoer – woordenlijst

Overzicht woordenlijsten

aan [adj]: on
afspraak (de) [noun]: appointment
alle [num]: all
ander [adj]: other
arabisch [adj]: Arabic
arm (de) [noun]: arm
auto (de) [noun]: auto
bank (de) [noun]: bank
behalve [adv]: except
bestuurder (de) [noun]: driver
bij [adv]: bee
blauw [adj]: blue
blijven [verb]: to stay
bloot [adj]: naked
broek (de) [noun]: pair of trousers
bus (de) [noun]: bus
chipkaart (de) [noun]: chip card
daar [adv]: there
daarom [adv]: that’s why
dan [adv]: than
dat [pro]: that
de [art]: the
dictee (het) [noun]: dictation
dit [pro]: this
dokter (de) [noun]: doctor (medical)
donkerrood [adj]: dark red
door [pre]: Through
dorst [adj]: thirst
drinken [verb]: drinks
druk [adv]: busy
een [num]: An
één [num]: one (1)
eerst [num]: first
elkaar [pro]: each other
en [con]: and
er [adv]: there
fles (de) [noun]: bottle
fruit (het) [noun]: fruit
gaan [verb]: to go
gebeuren [verb]: to happen
geen [num]: no
geld (het) [noun]: money
goed [adv]: Good
groen [adj]: green
groente (de) [noun]: vegetables
haar (het) [noun]: her
hebben [verb]: to have
hem [ppro]: him
het [art]: It
hij [ppro]: he
hond (de) [noun]: dog
hun [ppro]: their
iets [pro]: something
ik [ppro]: I
in [pre]: in
instappen [verb]: boarding
jarig [adv]: birthday
je [ppro]: you
jij [ppro]: you
kaartje (het) [noun]: card, ticket
kapot [adv]: broken
keuze (de) [noun]: choice
kijken [verb]: to look
koffie (de) [noun]: coffee
komen [verb]: to come
kopen [verb]: buy
kruis (het) [noun]: cross
kruisen [verb]: to cross (a street etc.)
kruispunt (het) [noun]: intersection
laat [adv]: late (in time)
last (de) [noun]: burden, trouble, problem
later [adv]: later
lekker [adj]: tasty, nice (food, smell, feeling, weather)
leren [verb]: to learn
links [adj]: left
los [adv]: loose
maar [adv]: but
maken [verb]: to make
man (de) [noun]: man
meisje (het) [noun]: girl
melk (de) [noun]: milk
mens (de) [noun]: person, human
met [pre]: with
midden (het) [noun]: middle
moe [adj]: tired
moeten [verb]: must
mogen [verb]: to be allowed to
motor (de) [noun]: engine
naar [pre]: to (direction)
naast [pre]: next to
nederlands [adj]: Dutch
niet [adv]: not
nodig [adv]: necessary
nog [adv]: yet
nu [adv]: now
oefenen [verb]: to practice
of [con]: or
oma (de) [noun]: grandma
omdat [con]: because
ook [adv]: also
op [pre]: on
ov-chipkaart (de) [noun]: public transport chip card
over [pre]: about
overstappen [verb]: change (transport)
oversteken [verb]: cross over
pak (het) [noun]: suit
piloot (de) [noun]: pilot
puzzel (de) [noun]: puzzle
rechtdoor [adv]: straight ahead
rechts [adv]: right
rij (de) [noun]: row
rijden [verb]: to ride
samen [adv]: together
schoon [adj]: clean
slapen [verb]: to sleep
spiegel (de) [noun]: mirror
spreken [verb]: speak
stappen [verb]: steps
stoppen [verb]: to stop
te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much)
tegenstelling (de) [noun]: contrast, contradiction
telefoon (de) [noun]: telephone
thee (de) [noun]: tea
thuis [adv]: At home
tijd (de) [noun]: time
toch [adv]: still, yet, anyway
trein (de) [noun]: train
turks [adj]: Turkish
tussen [pre]: between
twee [num]: two
tweede [num]: second
uit [pre]: out
uitstappen [verb]: get out
van [pre]: by, from, of
vandaag [adv]: Today
veel [num]: a lot of
veilig [adv]: safe
verder [adv]: further
vergeten [verb]: forget
verkeer (het) [noun]: traffic
vertellen [verb]: narrate
vies [adj]: dirty
vinden [verb]: find
visite (de) [noun]: visitors
voegen [verb]: add
voegwoord (het) [noun]: conjunction
voetganger (de) [noun]: pedestrian
voorrang (de) [noun]: priority
vriend (de) [noun]: friend
vrouw (de) [noun]: woman
waarom [pro]: Why
wachten [verb]: to wait
wagon (de) [noun]: wagon
want [con]: because
warm [adj]: warm
wassen [verb]: to wash
water (het) [noun]: water
we [ppro]: we
weg (de) [noun]: road
weinig [num]: few
wel [adv]: well, yes, indeed
werken [verb]: to work
wie [adv]: who
willen [verb]: to want, wish
worden [verb]: become
ze [ppro]: she (single), they (plural)
zebra (de) [noun]: zebra
zebrapad (het) [noun]: zebra crossing
ziek [adj]: sick
zij [ppro]: she (single), they (plural)
zijn [verb]: are
zin (de) [noun]: sentence
zitten [verb]: to sit
zomer (de) [noun]: summer
zonnebril (de) [noun]: sunglasses