Categorie: Woordenlijsten

  • Les 5 In de winkel – woordenlijst

    Les 5 In de winkel – woordenlijst

    Overzicht woordenlijsten

    aan [adj]: on
    acht [num]: eight
    achter [pre]: behind
    achterste [adj]: rear, last
    als [adv]: as
    appel (de) [noun]: apple
    automaat (de) [noun]: automatic machine
    baard (de) [noun]: beard
    badkamer (de) [noun]: bathroom
    banaan (de) [noun]: banana
    band (de) [noun]: band
    bank (de) [noun]: bank
    bankpas (de) [noun]: bank card
    betaalautomaat (de) [noun]: payment terminal
    betalen [verb]: pay
    bij [adv]: bee
    blauw [adj]: blue
    bloem (de) [noun]: flower
    boek (het) [noun]: book
    boodschap (de) [noun]: errand
    bos (het) [noun]: bunch
    broccoli (de) [noun]: broccoli
    dan [adv]: than
    de [art]: the
    delen [verb]: to share
    deze [pro]: this / these
    dictee (het) [noun]: dictation
    dik [adj]: thick
    dit [pro]: this
    doen [verb]: doing
    door [pre]: Through
    drie [num]: three
    duizend [num]: thousand
    dun [adj]: thin
    duur [adj]: duration
    een [num]: An
    eerste [adj]: first
    elf [num]: eleven
    en [con]: and
    enkelvoud (het) [noun]: singular
    eten [verb]: to eat
    euro (de) [noun]: euro
    evenveel [adv]: as much
    filippine (de) [noun]: Philippine
    fles (de) [noun]: bottle
    fruit (het) [noun]: fruit
    gaan [verb]: to go
    geld (het) [noun]: money
    genoeg [adv]: enough
    goedkoop [adj]: cheap
    gram (de) [noun]: gram
    groen [adj]: green
    groente (de) [noun]: vegetables
    groot [adj]: big
    haar (het) [noun]: her
    half [adj]: half
    hebben [verb]: to have
    het [art]: It
    hij [ppro]: he
    hond (de) [noun]: dog
    honderd [num]: one hundred
    hoofd (het) [noun]: head
    huis (het) [noun]: house
    ik [ppro]: I
    in [pre]: in
    jas (de) [noun]: coat
    je [ppro]: you
    jij [ppro]: you
    jong [adj]: young
    jongen (de) [noun]: boy
    jouw [ppro]: your
    jullie [ppro]: plural you, your
    kapot [adv]: broken
    kassa (de) [noun]: cash register, money counter
    kassabon (de) [noun]: cash receipt
    keer (de) [noun]: time, times (one time, two times)
    kers (de) [noun]: cherry
    kijken [verb]: to look
    kilo (de) [noun]: kilo
    kin (de) [noun]: chin
    kind (het) [noun]: child
    klein [adj]: small
    kleur (de) [noun]: colour
    kopen [verb]: buy
    kosten [verb]: costs
    krijgen [verb]: to get
    kussen (het) [noun]: to kiss
    lachen [verb]: laugh
    leggen [verb]: to lay
    lekker [adj]: tasty, nice (food, smell, feeling, weather)
    lelijk [adj]: ugly
    letter (de) [noun]: character (a, b, c)
    lettergreep (de) [noun]: syllable
    lief [adj]: sweet, nice (person)
    liggen [verb]: to lie down
    lopen [verb]: to walk
    maar [adv]: but
    maken [verb]: to make
    man (de) [noun]: man
    meer [adv]: more
    meervoud (het) [noun]: plural
    meisje (het) [noun]: girl
    mens (de) [noun]: person, human
    met [pre]: with
    middelste [adj]: middle one
    mijn [pro]: my, mine
    min [adv]: minus
    minder [adv]: fewer
    mooi [adj]: nice, beautiful
    naar [pre]: to (direction)
    naast [pre]: next to
    nee [adv]: no
    negen [num]: nine
    niet [adv]: not
    nieuw [adj]: new
    nu [adv]: now
    of [con]: or
    ons [ppro]: us
    ook [adv]: also
    op [pre]: on
    oud [adj]: old
    paardenstaart (de) [noun]: ponytail
    paars [adj]: purple
    pen (de) [noun]: pen
    per [adv]: per
    pet (de) [noun]: cap
    pinbon (de) [noun]: pin receipt
    pincode (de) [noun]: PIN code
    plus [adv]: plus
    poes (de) [noun]: woman cat, sweet cat
    portemonnee (de) [noun]: wallet
    precies [adv]: precisely
    prijs (de) [noun]: price
    puzzel (de) [noun]: puzzle
    rangtelwoord (het) [noun]: ordinal number
    rij (de) [noun]: row
    schap (het) [noun]: shelf in a shop
    schilderij (het) [noun]: painting
    schoon [adj]: clean
    schrift (het) [noun]: notebook
    shampoo (de) [noun]: shampoo
    slapen [verb]: to sleep
    spinazie (de) [noun]: spinach
    staan [verb]: to stand
    staart (de) [noun]: tail
    stoel (de) [noun]: chair
    stout [adj]: stout
    tachtig [num]: eighty
    tafel (de) [noun]: table
    tas (de) [noun]: bag
    te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much)
    tegenstelling (de) [noun]: contrast, contradiction
    tien [num]: ten
    toets (de) [noun]: key on keyboard
    toetsen [verb]: to key in on keyboard
    tros [num]: bunch
    twaalf [num]: twelve
    twee [num]: two
    ui (de) [noun]: onion
    van [pre]: by, from, of
    veel [num]: a lot of
    vest (het) [noun]: vest
    vier [num]: four
    vies [adj]: dirty
    vijf [num]: five
    vlees (het) [noun]: meat
    voor [pre]: for
    voorste [adj]: front, first
    vrouw (de) [noun]: woman
    waar [adv]: true, where
    want [con]: because
    wat [adv]: what
    wc (de) [noun]: toilet
    weinig [num]: few
    wel [adv]: well, yes, indeed
    welke [adv]: which
    wie [adv]: who
    wij [ppro]: We
    willen [verb]: to want, wish
    winkel (de) [noun]: shop
    winkelmand (de) [noun]: shopping basket
    winkelwagen (de) [noun]: shopping cart
    wit [adj]: white
    worst (de) [noun]: sausage
    zes [num]: six
    zeven [num]: seven
    zij [ppro]: she (single), they (plural)
    zijn [verb]: are
    zin (de) [noun]: sentence
    zwart [adj]: black
  • Les 6 Eten en drinken – woordenlijst PDF

    Les 6 Eten en drinken – woordenlijst PDF

    Overzicht woordenlijsten

  • Les 6 Eten en drinken – woordenlijst

    Les 6 Eten en drinken – woordenlijst

    Overzicht woordenlijsten

    aan [adj]: on
    aardappel (de) [noun]: potato
    aardbei (de) [noun]: strawberry
    ananas (de) [noun]: pineapple
    antwoord (het) [noun]: answer
    antwoorden [verb]: answers
    appel (de) [noun]: apple
    azijn (de) [noun]: vinegar
    banaan (de) [noun]: banana
    basilicum (de) [noun]: basil
    beer (de) [noun]: bear
    beetje [adv]: bit
    berg (de) [noun]: mountain
    bes (de) [noun]: berry
    bestek (het) [noun]: cutlery (spoon, knife, fork)
    bier (het) [noun]: beer
    biet (de) [noun]: beet
    big (de) [noun]: big
    bij [adv]: bee
    bitter [adj]: bitter
    blauw [adj]: blue
    bloemkool (de) [noun]: cauliflower
    boer (de) [noun]: farmer
    boerderij (de) [noun]: farm
    boerin (de) [noun]: woman farmer
    bord (het) [noun]: board
    boter (de) [noun]: butter
    braden [verb]: roast
    broccoli (de) [noun]: broccoli
    broodje (het) [noun]: sandwich
    bruin [adj]: brown
    cappucino (de) [noun]: cappuccino
    chip (de) [noun]: chip
    chocolademelk (de) [noun]: chocolate milk
    citroen (de) [noun]: lemon
    courgette (de) [noun]: zucchini
    daar [adv]: there
    dag (de) [noun]: day
    dagelijks [adv]: daily
    dan [adv]: than
    de [art]: the
    dekken [verb]: cover
    deze [pro]: this / these
    dictee (het) [noun]: dictation
    dier (de) [noun]: animal
    dik [adj]: thick
    dit [pro]: this
    doen [verb]: doing
    donderdag [name]: Thursday
    door [pre]: Through
    drank (de) [noun]: drink
    drinken [verb]: drinks
    druif (de) [noun]: grape
    een [num]: An
    ei (het) [noun]: egg
    eiersalade (de) [noun]: egg salad
    elkaar [pro]: each other
    en [con]: and
    er [adv]: there
    eten [verb]: to eat
    filippine (de) [noun]: Philippine
    fles (de) [noun]: bottle
    frisdrank (de) [noun]: soft drink
    fruit (het) [noun]: fruit
    geel [adj]: yellow
    gehakt (het) [noun]: minced meat
    geven [verb]: give
    gezond [adj]: healthy
    glas (het) [noun]: glass
    groente (de) [noun]: vegetables
    groenteboer (de) [noun]: greengrocer
    groot [adj]: big
    haan (de) [noun]: rooster
    haar (het) [noun]: her
    hebben [verb]: to have
    hem [ppro]: him
    hen (de) [noun]: them
    hengst (de) [noun]: stallion
    het [art]: It
    heten [verb]: to be named
    hij [ppro]: he
    hoe [adv]: how
    hoeveel [pro]: how many
    honger [adj]: hunger
    honing (de) [noun]: honey
    huid (de) [noun]: skin
    ik [ppro]: I
    in [pre]: in
    ja [adv]: Yes
    je [ppro]: you
    jij [ppro]: you
    jong [adj]: young
    jullie [ppro]: plural you, your
    kaas (de) [noun]: cheese
    kalf (het) [noun]: calf
    kar (de) [noun]: cart
    kast (de) [noun]: cupboard
    kebab (de) [noun]: kebab
    kers (de) [noun]: cherry
    keuken (de) [noun]: kitchen
    kind (het) [noun]: child
    kip (de) [noun]: chicken
    kiwi (de) [noun]: kiwi
    klaar [adv]: finished, ready
    klein [adj]: small
    knoflook (de) [noun]: garlic
    koe (de) [noun]: cow
    koffie (de) [noun]: coffee
    koken [verb]: to cook
    komkommer (de) [noun]: cucumber
    kopen [verb]: buy
    koriander (de) [noun]: coriander
    kosten [verb]: costs
    kuiken (het) [noun]: chicklet, young bird
    lam (het) [noun]: lamb
    lang [adj]: long
    leer (het) [noun]: leather
    leggen [verb]: to lay
    lekker [adj]: tasty, nice (food, smell, feeling, weather)
    lopen [verb]: to walk
    maken [verb]: to make
    man (de) [noun]: man
    meisje (het) [noun]: girl
    melk (de) [noun]: milk
    meloen (de) [noun]: melon
    mens (de) [noun]: person, human
    menu (het) [noun]: menu
    merrie (de) [noun]: mare
    met [pre]: with
    mij [ppro]: me
    minuut (de) [noun]: minute
    moeten [verb]: must
    of [con]: or
    olijfolie (de) [noun]: olive oil
    ons [ppro]: us
    ooi (de) [noun]: ewe
    ook [adv]: also
    op [pre]: on
    openingstijd (de) [noun]: opening time
    over [pre]: about
    paard (het) [noun]: horse
    pakken [verb]: to take
    pan (de) [noun]: Pan
    pannekoek (de) [noun]: pancake
    paprika (de) [noun]: bell pepper
    patat (de) [noun]: chips
    peer (de) [noun]: pear
    peper (de) [noun]: pepper
    prei (de) [noun]: leek
    proeven [verb]: to taste, try food for taste
    puzzel (de) [noun]: puzzle
    ram (de) [noun]: Ram
    restaurant (het) [noun]: restaurant
    rijden [verb]: to ride
    rood [adj]: red
    room (de) [noun]: cream
    rozemarijn (de) [noun]: rosemary
    rug (de) [noun]: back
    rundvlees (het) [noun]: beef
    salade (de) [noun]: salad
    samen [adv]: together
    saus (de) [noun]: sauce
    schaap (het) [noun]: sheep
    schenken [verb]: to poor in (drink)
    schil (de) [noun]: peel
    schillen [verb]: peel (remove skin from fruit)
    sinaasappel (de) [noun]: orange (fruit)
    sla (de) [noun]: salad
    slager (de) [noun]: butcher
    slakom (de) [noun]: salad bowl
    smakelijk [adj]: tasty
    smaken [verb]: flavors
    snijden [verb]: cutting
    soep (de) [noun]: soup
    spaghetti (de) [noun]: spaghetti
    sperzieboon (de) [noun]: green beans
    spinazie (de) [noun]: spinach
    spruit (de) [noun]: sprout
    staan [verb]: to stand
    stier (de) [noun]: bull
    suiker (de) [noun]: sugar
    supermarkt (de) [noun]: supermarket
    tafel (de) [noun]: table
    tegen [pre]: against
    tegenwoordig [adv]: nowadays
    thee (de) [noun]: tea
    tijd (de) [noun]: time
    tomaat (de) [noun]: tomato
    tomatensaus (de) [noun]: tomato sauce
    trek (de) [noun]: appetite
    tuinkruid (het) [noun]: garden herb
    twee [num]: two
    ui (de) [noun]: onion
    van [pre]: by, from, of
    vandaag [adv]: Today
    varken (het) [noun]: pig
    veulen (het) [noun]: foal
    vinden [verb]: find
    vis (de) [noun]: fish
    vlees (het) [noun]: meat
    voltooien [verb]: to complete, finish
    voor [pre]: for
    vraag (de) [noun]: question mark
    vragen [verb]: to ask
    vrouw (de) [noun]: woman
    waar [adv]: true, where
    wakker [adj]: awake
    wat [adv]: what
    water (het) [noun]: water
    we [ppro]: we
    werken [verb]: to work
    wie [adv]: who
    wij [ppro]: We
    wit [adj]: white
    witlof (de) [noun]: chicory, white salad
    wol (de) [noun]: wool
    wonen [verb]: to live (in a house, city)
    worst (de) [noun]: sausage
    wortel (de) [noun]: root
    yoghurt (de) [noun]: yogurt
    zalm (de) [noun]: salmon
    ze [ppro]: she (single), they (plural)
    zeggen [verb]: to say
    zetten [verb]: to put in place
    zeug (de) [noun]: sow
    zij [ppro]: she (single), they (plural)
    zijn [verb]: are
    zitten [verb]: to sit
    zoet [adj]: sweet
    zorgen [verb]: to assure, to care for, worries
    zout (het) [noun]: salty
    zuur [adj]: acid, sour (like vinegar)
    zwart [adj]: black
  • Les 7 De kleding – woordenlijst PDF

    Les 7 De kleding – woordenlijst PDF

    Overzicht woordenlijsten

  • Les 7 De kleding – woordenlijst

    Les 7 De kleding – woordenlijst

    Overzicht woordenlijsten

    alle [num]: all
    antwoord (het) [noun]: answer
    appel (de) [noun]: apple
    bamboe (de) [noun]: bamboo
    been (het) [noun]: leg
    betalen [verb]: pay
    blauw [adj]: blue
    blij [adj]: pleased
    blouse (de) [noun]: blouse
    borst (de) [noun]: chest
    broek (de) [noun]: pair of trousers
    bruin [adj]: brown
    centimeter (de) [noun]: centimeter
    cm (de) [noun]: cm (centimeter)
    daarom [adv]: that’s why
    dame (de) [noun]: lady
    dameskleding (de) [noun]: women’s clothing
    dat [pro]: that
    de [art]: the
    dekken [verb]: cover
    deze [pro]: this / these
    dictee (het) [noun]: dictation
    dit [pro]: this
    dragen [verb]: wear
    dweilen [verb]: mop
    een [num]: An
    en [con]: and
    eten [verb]: to eat
    februari [name]: February
    geel [adj]: yellow
    gisteren [adv]: yesterday
    grijs [adj]: gray
    groen [adj]: green
    groot [adj]: big
    haar (het) [noun]: her
    hangen [verb]: hang
    hebben [verb]: to have
    heel [adv]: all, complete, restored
    hemd (het) [noun]: shirt
    het [art]: It
    heup (de) [noun]: hip
    hier [adv]: here
    hij [ppro]: he
    hoed (de) [noun]: hat
    hun [ppro]: their
    ik [ppro]: I
    in [pre]: in
    internationaal [adj]: international
    ja [adv]: Yes
    jas (de) [noun]: coat
    je [ppro]: you
    jij [ppro]: you
    jouw [ppro]: your
    jullie [ppro]: plural you, your
    jurk (de) [noun]: dress
    kammen [verb]: to comb (hair)
    kapot [adv]: broken
    katoen (de) [noun]: cotton
    kledingmaat (de) [noun]: clothing size
    kledingwinkel (de) [noun]: clothing store
    klein [adj]: small
    kleren (de) [noun]: clothes
    kleur (de) [noun]: colour
    koken [verb]: to cook
    kopen [verb]: buy
    kort [adv]: short
    kous (de) [noun]: stocking
    krap [adj]: tight
    lang [adj]: long
    leer (het) [noun]: leather
    leren [verb]: to learn
    linnen (het) [noun]: linen
    maandag [name]: Monday
    maar [adv]: but
    maat (de) [noun]: mate
    maken [verb]: to make
    met [pre]: with
    mijn [pro]: my, mine
    naaien [verb]: sewing
    niet [adv]: not
    nieuw [adj]: new
    nu [adv]: now
    nylon (het) [noun]: nylon
    onderbroek (de) [noun]: underpants
    ons [ppro]: us
    oranje [adj]: orange
    oud [adj]: old
    overhemd (het) [noun]: shirt
    pak (het) [noun]: suit
    passen [verb]: to fit
    polyester (de) [noun]: polyester
    precies [adv]: precisely
    proeven [verb]: to taste, try food for taste
    regelmatig [adv]: regularly
    rok (de) [noun]: skirt
    rood [adj]: red
    roze [adj]: pink
    salade (de) [noun]: salad
    schillen [verb]: peel (remove skin from fruit)
    schoen (de) [noun]: shoe
    schoenmaat (de) [noun]: shoe size
    schoon [adj]: clean
    shirt (het) [noun]: shirt
    sportschoen (de) [noun]: sports shoe
    stof (de) [noun]: dust
    tafel (de) [noun]: table
    taille (de) [noun]: waist
    te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much)
    tegenwoordig [adv]: nowadays
    tijd (de) [noun]: time
    trui (de) [noun]: sweater
    uw [ppro]: your formal, respect
    van [pre]: by, from, of
    vandaag [adv]: Today
    verkopen [verb]: to sell
    verleden (het) [noun]: past
    vest (het) [noun]: vest
    vies [adj]: dirty
    vloer (de) [noun]: floor
    voet (de) [noun]: foot
    voor [pre]: for
    vraag (de) [noun]: question mark
    vroeger [adv]: earlier, in the past
    vrouw (de) [noun]: woman
    waar [adv]: true, where
    waarom [pro]: Why
    want [con]: because
    wassen [verb]: to wash
    wat [adv]: what
    week (de) [noun]: week
    welke [adv]: which
    werkwoord (het) [noun]: verb
    wij [ppro]: We
    wijd [adj]: wide
    willen [verb]: to want, wish
    winkel (de) [noun]: shop
    wit [adj]: white
    wol (de) [noun]: wool
    ze [ppro]: she (single), they (plural)
    zij [ppro]: she (single), they (plural)
    zijde (de) [noun]: side (location), silk (fabric)
    zijn [verb]: are
    zin (de) [noun]: sentence
    zo [adv]: like this
    zo’n [exp]: such a
    zoeken [verb]: to search
    zondag [name]: Sunday
    zwart [adj]: black
  • Les 8 De familie – woordenlijst PDF

    Les 8 De familie – woordenlijst PDF

    Overzicht woordenlijsten

  • Les 8 De familie – woordenlijst

    Les 8 De familie – woordenlijst

    Overzicht woordenlijsten

    achterkleinkind (het) [noun]: great-grandchild
    afspreken [verb]: to agree, appoint
    allerliefste [adj]: most dearest
    alles [num]: everything
    alstublieft [exp]: please
    antwoord (het) [noun]: answer
    baby (de) [noun]: baby
    bed (het) [noun]: bed
    bellen [verb]: to call
    bezoek (het) [noun]: visit
    bij [adv]: bee
    blij [adj]: pleased
    blijven [verb]: to stay
    broer (de) [noun]: brother
    buik (de) [noun]: belly
    cadeau (het) [noun]: gift
    citroen (de) [noun]: lemon
    daar [adv]: there
    dag (de) [noun]: day
    dan [adv]: than
    dank (de) [noun]: thanks
    dat [pro]: that
    de [art]: the
    deze [pro]: this / these
    dictee (het) [noun]: dictation
    die [pro]: that / those
    dit [pro]: this
    dochter (de) [noun]: daughter
    dokter (de) [noun]: doctor (medical)
    drie [num]: three
    echtgenoot (de) [noun]: husband, wife, marital partner
    een [num]: An
    één [num]: one (1)
    ééntje [num]: a small one
    eigen [adj]: own
    elkaar [pro]: each other
    en [con]: and
    enkelvoud (het) [noun]: singular
    er [adv]: there
    eten [verb]: to eat
    even [adv]: even
    familie (de) [noun]: family
    feest (het) [noun]: party
    feliciteren [verb]: congratulate
    filippine (de) [noun]: Philippine
    gaan [verb]: to go
    gast (de) [noun]: guest
    generatie (de) [noun]: generation
    gezin (het) [noun]: small family / household
    gisteren [adv]: yesterday
    goed [adv]: Good
    goedemiddag [exp]: Good afternoon
    graag [adj]: please, happy
    groot [adj]: big
    grootmoeder (de) [noun]: grandmother
    grootouder (de) [noun]: grandparent
    grootvader (de) [noun]: grandfather
    haar (het) [noun]: her
    hallo [exp]: Hello
    hebben [verb]: to have
    heel [adv]: all, complete, restored
    hem [ppro]: him
    het [art]: It
    heten [verb]: to be named
    hij [ppro]: he
    hoe [adv]: how
    hoera [exp]: hurrah
    hond (de) [noun]: dog
    honing (de) [noun]: honey
    houden [verb]: keep
    huis (het) [noun]: house
    hun [ppro]: their
    idee (het) [noun]: idea
    iedereen [pro]: everyone
    ik [ppro]: I
    in [pre]: in
    ja [adv]: Yes
    jaar (het) [noun]: year
    jarig [adv]: birthday
    je [ppro]: you
    jij [ppro]: you
    jou [ppro]: to you
    jouw [ppro]: your
    jullie [ppro]: plural you, your
    keel (de) [noun]: throat
    kind (het) [noun]: child
    kleindochter (de) [noun]: granddaughter
    kleinkind (het) [noun]: grandchild
    kleinzoon (de) [noun]: grandson
    koekje (het) [noun]: cookie
    koffie (de) [noun]: coffee
    kom (de) [noun]: a bowl, to come
    komen [verb]: to come
    kopje (het) [noun]: little cup
    krijgen [verb]: to get
    kunnen [verb]: be able to
    lekker [adj]: tasty, nice (food, smell, feeling, weather)
    leuk [adj]: nice
    liever [adv]: rather
    liggen [verb]: to lie down
    limonade (de) [noun]: lemonade
    lusten [verb]: to like, find tasty (food)
    maar [adv]: but
    mama (de) [noun]: mom
    man (de) [noun]: man
    mee [adv]: along, together
    meenemen [verb]: take along
    meervoud (het) [noun]: plural
    meisje (het) [noun]: girl
    melk (de) [noun]: milk
    met [pre]: with
    mevrouw (de) [noun]: Madam
    mij [ppro]: me
    mijn [pro]: my, mine
    moeder (de) [noun]: mother
    mogen [verb]: to be allowed to
    mooi [adj]: nice, beautiful
    naar [pre]: to (direction)
    natuurlijk [adv]: Naturally
    nee [adv]: no
    neef (de) [noun]: cousin
    nemen [verb]: to take
    nicht (de) [noun]: niece, woman cousin
    niet [adv]: not
    noemen [verb]: to call
    nog [adv]: yet
    nu [adv]: now
    of [con]: or
    om [pre]: to, around, at (time)
    oma (de) [noun]: grandma
    onregelmatig [adj]: irregular
    ons [ppro]: us
    ook [adv]: also
    oom (de) [noun]: uncle
    op [pre]: on
    opa (de) [noun]: grandpa
    oud [adj]: old
    ouder (de) [noun]: parent
    overgrootouder (de) [noun]: great-grandparent
    papa (de) [noun]: dad
    partner (de) [noun]: partner
    pijn [adj]: pain
    puzzelen [verb]: puzzle
    regelmatig [adv]: regularly
    relatie (de) [noun]: relation
    school (de) [noun]: school
    schoonbroer (de) [noun]: brother-in-law
    schoondochter (de) [noun]: daughter-in-law
    schoonfamilie (de) [noun]: in-laws
    schoonouder (de) [noun]: parent-in-law
    schoonzoon (de) [noun]: son-in-law
    schoonzus (de) [noun]: sister-in-law
    sinds [adv]: since
    slapen [verb]: to sleep
    smart phone (de) [noun]: smartphone
    spreken [verb]: speak
    stamboom (de) [noun]: pedigree
    suiker (de) [noun]: sugar
    taart (de) [noun]: cake
    tante (de) [noun]: aunt
    te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much)
    tegenwoordig [adv]: nowadays
    thee (de) [noun]: tea
    tijd (de) [noun]: time
    toen [adv]: when, then
    trouwen [verb]: to marry
    twee [num]: two
    uur (het) [noun]: o’clock
    vaak [adv]: often
    vader (de) [noun]: father
    van [pre]: by, from, of
    vanavond [adv]: this evening
    vandaag [adv]: Today
    veel [num]: a lot of
    vergeten [verb]: forget
    verleden (het) [noun]: past
    verliefd [adj]: in love
    vervelend [adj]: annoying
    vinden [verb]: find
    vraag (de) [noun]: question mark
    vriend (de) [noun]: friend
    vriendin (de) [noun]: girlfriend
    vroeger [adv]: earlier, in the past
    vrouw (de) [noun]: woman
    waarom [pro]: Why
    wakker [adj]: awake
    wanneer [adv]: when
    want [con]: because
    wat [adv]: what
    we [ppro]: we
    wel [adv]: well, yes, indeed
    werkwoord (het) [noun]: verb
    wie [adv]: who
    wij [ppro]: We
    willen [verb]: to want, wish
    wonen [verb]: to live (in a house, city)
    worden [verb]: become
    ze [ppro]: she (single), they (plural)
    ziek [adj]: sick
    zien [verb]: to see
    zij [ppro]: she (single), they (plural)
    zijn [verb]: are
    zin (de) [noun]: sentence
    zoon (de) [noun]: son
    zullen [verb]: shall
    zus (de) [noun]: sister
    zwager (de) [noun]: brother-in-law
  • Les 9 Het vervoer – woordenlijst PDF

    Les 9 Het vervoer – woordenlijst PDF

    Overzicht woordenlijsten

  • Les 9 Het vervoer – woordenlijst

    Les 9 Het vervoer – woordenlijst

    Overzicht woordenlijsten

    aan [adj]: on
    afspraak (de) [noun]: appointment
    alle [num]: all
    ander [adj]: other
    arabisch [adj]: Arabic
    arm (de) [noun]: arm
    auto (de) [noun]: auto
    bank (de) [noun]: bank
    behalve [adv]: except
    bestuurder (de) [noun]: driver
    bij [adv]: bee
    blauw [adj]: blue
    blijven [verb]: to stay
    bloot [adj]: naked
    broek (de) [noun]: pair of trousers
    bus (de) [noun]: bus
    chipkaart (de) [noun]: chip card
    daar [adv]: there
    daarom [adv]: that’s why
    dan [adv]: than
    dat [pro]: that
    de [art]: the
    dictee (het) [noun]: dictation
    dit [pro]: this
    dokter (de) [noun]: doctor (medical)
    donkerrood [adj]: dark red
    door [pre]: Through
    dorst [adj]: thirst
    drinken [verb]: drinks
    druk [adv]: busy
    een [num]: An
    één [num]: one (1)
    eerst [num]: first
    elkaar [pro]: each other
    en [con]: and
    er [adv]: there
    fles (de) [noun]: bottle
    fruit (het) [noun]: fruit
    gaan [verb]: to go
    gebeuren [verb]: to happen
    geen [num]: no
    geld (het) [noun]: money
    goed [adv]: Good
    groen [adj]: green
    groente (de) [noun]: vegetables
    haar (het) [noun]: her
    hebben [verb]: to have
    hem [ppro]: him
    het [art]: It
    hij [ppro]: he
    hond (de) [noun]: dog
    hun [ppro]: their
    iets [pro]: something
    ik [ppro]: I
    in [pre]: in
    instappen [verb]: boarding
    jarig [adv]: birthday
    je [ppro]: you
    jij [ppro]: you
    kaartje (het) [noun]: card, ticket
    kapot [adv]: broken
    keuze (de) [noun]: choice
    kijken [verb]: to look
    koffie (de) [noun]: coffee
    komen [verb]: to come
    kopen [verb]: buy
    kruis (het) [noun]: cross
    kruisen [verb]: to cross (a street etc.)
    kruispunt (het) [noun]: intersection
    laat [adv]: late (in time)
    last (de) [noun]: burden, trouble, problem
    later [adv]: later
    lekker [adj]: tasty, nice (food, smell, feeling, weather)
    leren [verb]: to learn
    links [adj]: left
    los [adv]: loose
    maar [adv]: but
    maken [verb]: to make
    man (de) [noun]: man
    meisje (het) [noun]: girl
    melk (de) [noun]: milk
    mens (de) [noun]: person, human
    met [pre]: with
    midden (het) [noun]: middle
    moe [adj]: tired
    moeten [verb]: must
    mogen [verb]: to be allowed to
    motor (de) [noun]: engine
    naar [pre]: to (direction)
    naast [pre]: next to
    nederlands [adj]: Dutch
    niet [adv]: not
    nodig [adv]: necessary
    nog [adv]: yet
    nu [adv]: now
    oefenen [verb]: to practice
    of [con]: or
    oma (de) [noun]: grandma
    omdat [con]: because
    ook [adv]: also
    op [pre]: on
    ov-chipkaart (de) [noun]: public transport chip card
    over [pre]: about
    overstappen [verb]: change (transport)
    oversteken [verb]: cross over
    pak (het) [noun]: suit
    piloot (de) [noun]: pilot
    puzzel (de) [noun]: puzzle
    rechtdoor [adv]: straight ahead
    rechts [adv]: right
    rij (de) [noun]: row
    rijden [verb]: to ride
    samen [adv]: together
    schoon [adj]: clean
    slapen [verb]: to sleep
    spiegel (de) [noun]: mirror
    spreken [verb]: speak
    stappen [verb]: steps
    stoppen [verb]: to stop
    te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much)
    tegenstelling (de) [noun]: contrast, contradiction
    telefoon (de) [noun]: telephone
    thee (de) [noun]: tea
    thuis [adv]: At home
    tijd (de) [noun]: time
    toch [adv]: still, yet, anyway
    trein (de) [noun]: train
    turks [adj]: Turkish
    tussen [pre]: between
    twee [num]: two
    tweede [num]: second
    uit [pre]: out
    uitstappen [verb]: get out
    van [pre]: by, from, of
    vandaag [adv]: Today
    veel [num]: a lot of
    veilig [adv]: safe
    verder [adv]: further
    vergeten [verb]: forget
    verkeer (het) [noun]: traffic
    vertellen [verb]: narrate
    vies [adj]: dirty
    vinden [verb]: find
    visite (de) [noun]: visitors
    voegen [verb]: add
    voegwoord (het) [noun]: conjunction
    voetganger (de) [noun]: pedestrian
    voorrang (de) [noun]: priority
    vriend (de) [noun]: friend
    vrouw (de) [noun]: woman
    waarom [pro]: Why
    wachten [verb]: to wait
    wagon (de) [noun]: wagon
    want [con]: because
    warm [adj]: warm
    wassen [verb]: to wash
    water (het) [noun]: water
    we [ppro]: we
    weg (de) [noun]: road
    weinig [num]: few
    wel [adv]: well, yes, indeed
    werken [verb]: to work
    wie [adv]: who
    willen [verb]: to want, wish
    worden [verb]: become
    ze [ppro]: she (single), they (plural)
    zebra (de) [noun]: zebra
    zebrapad (het) [noun]: zebra crossing
    ziek [adj]: sick
    zij [ppro]: she (single), they (plural)
    zijn [verb]: are
    zin (de) [noun]: sentence
    zitten [verb]: to sit
    zomer (de) [noun]: summer
    zonnebril (de) [noun]: sunglasses