Les 7 De kleding – woordenlijst

Overzicht woordenlijsten

alle [num]: all
antwoord (het) [noun]: answer
appel (de) [noun]: apple
bamboe (de) [noun]: bamboo
been (het) [noun]: leg
betalen [verb]: pay
blauw [adj]: blue
blij [adj]: pleased
blouse (de) [noun]: blouse
borst (de) [noun]: chest
broek (de) [noun]: pair of trousers
bruin [adj]: brown
centimeter (de) [noun]: centimeter
cm (de) [noun]: cm (centimeter)
daarom [adv]: that’s why
dame (de) [noun]: lady
dameskleding (de) [noun]: women’s clothing
dat [pro]: that
de [art]: the
dekken [verb]: cover
deze [pro]: this / these
dictee (het) [noun]: dictation
dit [pro]: this
dragen [verb]: wear
dweilen [verb]: mop
een [num]: An
en [con]: and
eten [verb]: to eat
februari [name]: February
geel [adj]: yellow
gisteren [adv]: yesterday
grijs [adj]: gray
groen [adj]: green
groot [adj]: big
haar (het) [noun]: her
hangen [verb]: hang
hebben [verb]: to have
heel [adv]: all, complete, restored
hemd (het) [noun]: shirt
het [art]: It
heup (de) [noun]: hip
hier [adv]: here
hij [ppro]: he
hoed (de) [noun]: hat
hun [ppro]: their
ik [ppro]: I
in [pre]: in
internationaal [adj]: international
ja [adv]: Yes
jas (de) [noun]: coat
je [ppro]: you
jij [ppro]: you
jouw [ppro]: your
jullie [ppro]: plural you, your
jurk (de) [noun]: dress
kammen [verb]: to comb (hair)
kapot [adv]: broken
katoen (de) [noun]: cotton
kledingmaat (de) [noun]: clothing size
kledingwinkel (de) [noun]: clothing store
klein [adj]: small
kleren (de) [noun]: clothes
kleur (de) [noun]: colour
koken [verb]: to cook
kopen [verb]: buy
kort [adv]: short
kous (de) [noun]: stocking
krap [adj]: tight
lang [adj]: long
leer (het) [noun]: leather
leren [verb]: to learn
linnen (het) [noun]: linen
maandag [name]: Monday
maar [adv]: but
maat (de) [noun]: mate
maken [verb]: to make
met [pre]: with
mijn [pro]: my, mine
naaien [verb]: sewing
niet [adv]: not
nieuw [adj]: new
nu [adv]: now
nylon (het) [noun]: nylon
onderbroek (de) [noun]: underpants
ons [ppro]: us
oranje [adj]: orange
oud [adj]: old
overhemd (het) [noun]: shirt
pak (het) [noun]: suit
passen [verb]: to fit
polyester (de) [noun]: polyester
precies [adv]: precisely
proeven [verb]: to taste, try food for taste
regelmatig [adv]: regularly
rok (de) [noun]: skirt
rood [adj]: red
roze [adj]: pink
salade (de) [noun]: salad
schillen [verb]: peel (remove skin from fruit)
schoen (de) [noun]: shoe
schoenmaat (de) [noun]: shoe size
schoon [adj]: clean
shirt (het) [noun]: shirt
sportschoen (de) [noun]: sports shoe
stof (de) [noun]: dust
tafel (de) [noun]: table
taille (de) [noun]: waist
te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much)
tegenwoordig [adv]: nowadays
tijd (de) [noun]: time
trui (de) [noun]: sweater
uw [ppro]: your formal, respect
van [pre]: by, from, of
vandaag [adv]: Today
verkopen [verb]: to sell
verleden (het) [noun]: past
vest (het) [noun]: vest
vies [adj]: dirty
vloer (de) [noun]: floor
voet (de) [noun]: foot
voor [pre]: for
vraag (de) [noun]: question mark
vroeger [adv]: earlier, in the past
vrouw (de) [noun]: woman
waar [adv]: true, where
waarom [pro]: Why
want [con]: because
wassen [verb]: to wash
wat [adv]: what
week (de) [noun]: week
welke [adv]: which
werkwoord (het) [noun]: verb
wij [ppro]: We
wijd [adj]: wide
willen [verb]: to want, wish
winkel (de) [noun]: shop
wit [adj]: white
wol (de) [noun]: wool
ze [ppro]: she (single), they (plural)
zij [ppro]: she (single), they (plural)
zijde (de) [noun]: side (location), silk (fabric)
zijn [verb]: are
zin (de) [noun]: sentence
zo [adv]: like this
zo’n [exp]: such a
zoeken [verb]: to search
zondag [name]: Sunday
zwart [adj]: black