Les 4 Het lichaam – woordenlijst

Overzicht woordenlijsten

aan [adj]: on
achter [pre]: behind
afspraak (de) [noun]: appointment
antwoord (het) [noun]: answer
apotheek (de) [noun]: pharmacy
arm (de) [noun]: arm
auto (de) [noun]: auto
baby (de) [noun]: baby
bed (het) [noun]: bed
been (het) [noun]: leg
beter [adv]: better
beterschap (de) [noun]: get well soon
bezem (de) [noun]: broom
blij [adj]: pleased
blijven [verb]: to stay
borstel (de) [noun]: brush
brengen [verb]: to bring
brood (het) [noun]: bread
buik (de) [noun]: belly
dank (de) [noun]: thanks
dat [pro]: that
de [art]: the
diagnose (de) [noun]: diagnosis
dictee (het) [noun]: dictation
dit [pro]: this
doen [verb]: doing
dokter (de) [noun]: doctor (medical)
douche (de) [noun]: shower
drie [num]: three
droog [adj]: dry
druif (de) [noun]: grape
duim (de) [noun]: thumb
een [num]: An
en [con]: and
enkelvoud (het) [noun]: singular
er [adv]: there
filippine (de) [noun]: Philippine
gaan [verb]: to go
geen [num]: no
gelukkig [adv]: happy
geven [verb]: give
gezicht (het) [noun]: sight
gezond [adj]: healthy
goed [adv]: Good
goedemiddag [exp]: Good afternoon
gordijn (het) [noun]: curtain
graad (de) [noun]: degree
griep (de) [noun]: flu
haar (het) [noun]: her
haardroger (de) [noun]: hairdryer
haas (de) [noun]: hare
half [adj]: half
hand (de) [noun]: hand
handdoek (de) [noun]: towel
hebben [verb]: to have
het [art]: It
hij [ppro]: he
hoe [adv]: how
hoesten [verb]: coughing
hoofd (het) [noun]: head
hoofdpijn (de) [noun]: headache
hoog [adj]: high
huis (het) [noun]: house
huisbezoek (het) [noun]: home visit
ik [ppro]: I
in [pre]: in
jij [ppro]: you
jou [ppro]: to you
jouw [ppro]: your
jullie [ppro]: plural you, your
kam (de) [noun]: comb (for hair)
kamer (de) [noun]: room
kammen [verb]: to comb (hair)
kapot [adv]: broken
kast (de) [noun]: cupboard
keel (de) [noun]: throat
keelpijn (de) [noun]: a sore throat
kiespijn (de) [noun]: toothache
kijken [verb]: to look
kind (het) [noun]: child
klinker (de) [noun]: vowel
knie (de) [noun]: knee
knippen [verb]: to cut
komen [verb]: to come
koorts (de) [noun]: fever
kussen (het) [noun]: to kiss
laat [adv]: late (in time)
last (de) [noun]: burden, trouble, problem
leerling (de) [noun]: student
les (de) [noun]: lesson
lichaam (het) [noun]: body
maar [adv]: but
maken [verb]: to make
man (de) [noun]: man
me [ppro]: me
medicijn (de) [noun]: medicine
meervoud (het) [noun]: plural
meisje (het) [noun]: girl
mens (de) [noun]: person, human
met [pre]: with
meten [verb]: to measure
mij [ppro]: me
mijn [pro]: my, mine
moeten [verb]: must
mond (de) [noun]: mouth
naar [pre]: to (direction)
nagel (de) [noun]: nail
nagelschaar (de) [noun]: nail scissors
nat [adj]: wet
nederlands [adj]: Dutch
nee [adv]: no
neus (de) [noun]: nose
niet [adv]: not
normaal [adj]: normal
nu [adv]: now
of [con]: or
oksel (de) [noun]: armpit
om [pre]: to, around, at (time)
onder [pre]: under
ons [ppro]: us
oog (het) [noun]: eye
ook [adv]: also
oor (het) [noun]: ear
op [pre]: on
overgeven [verb]: vomit, throw up (food)
patiënt (de) [noun]: patient
pen (de) [noun]: pen
pijn [adj]: pain
poes (de) [noun]: woman cat, sweet cat
recept (het) [noun]: recipe
regel (de) [noun]: rule
schaar (de) [noun]: pair of scissors
schoen (de) [noun]: shoe
schouder (de) [noun]: shoulder
schrijven [verb]: to write
shampoo (de) [noun]: shampoo
snel [adv]: fast
staan [verb]: to stand
stil [adv]: quiet, silent
stoel (de) [noun]: chair
syriër (de) [noun]: Syrian
tafel (de) [noun]: table
te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much)
teen (de) [noun]: toe
temperatuur (de) [noun]: temperature
thermometer (de) [noun]: thermometer
thuis [adv]: At home
tien [num]: ten
tijd (de) [noun]: time
twee [num]: two
u [ppro]: you formal, respect
uw [ppro]: your formal, respect
vakantie (de) [noun]: vacation
van [pre]: by, from, of
vanmiddag [adv]: this afternoon
verhoging (de) [noun]: elevation, low fever
verkouden [adj]: cold. sick, running nose
vier [num]: four
vinger (de) [noun]: finger
voet (de) [noun]: foot
vraag (de) [noun]: question mark
vragen [verb]: to ask
vrouw (de) [noun]: woman
vullen [verb]: fill
waar [adv]: true, where
wassen [verb]: to wash
wat [adv]: what
water (het) [noun]: water
weer [adv]: weather
wel [adv]: well, yes, indeed
weten [verb]: to know
wij [ppro]: We
zeep (de) [noun]: soap
ziek [adj]: sick
zien [verb]: to see
zij [ppro]: she (single), they (plural)
zijn [verb]: are
zitten [verb]: to sit
zullen [verb]: shall