Nederlandse les

Nederlandse les

  • Wij leren Nederlands
    • Les 1 Kennis maken
    • Les 2 Het huis
    • Les 3 De tijd
    • Les 4 Het lichaam
    • Les 5 In de winkel
    • Les 6 Eten en drinken
    • Les 7 De kleding
    • Les 8 De familie
    • Les 9 Het vervoer
    • Les 10 De vrije tijd

Les 10 De vrije tijd

  • De vrije tijd – woorden
  • Buurmeisjes
  • Vader en zoon
  • Want, omdat, dus, daarom
  • De woorden “niet” en “geen”
  • In onze vrije tijd
  • Voorzetsels en eindpuzzel
Alle pagina’s van deze les
  • De vrije tijd – woorden
    • Woorden in de vrije tijd – 1
    • Woorden in de vrije tijd – 2
    • Woorden in de vrije tijd – 3
  • Buurmeisjes
    • Jasmijn en Lisa
    • Naar school
    • Naar het strand
    • Wel en niet
    • Jasmijn en Lisa – vragen
    • Jasmijn en Lisa – dictee
  • Vader en zoon
    • Jesse
    • Jesse en Simon
    • Jesse en Simon – vragen
    • Jesse en Simon – dictee
  • Want, omdat, dus, daarom
    • Want 1
    • Want 2
    • Want – oefenen
    • Omdat
    • Dus
    • Dus – oefenen
    • Daarom
    • Daarom oefenen
    • Want omdat dus daarom – dictee
  • De woorden “niet” en “geen”
    • Niet en geen
    • Niet en geen oefenen
    • Niet en geen – dictee
  • In onze vrije tijd
    • De sportclub
    • De sportclub – dictee
    • De hobby
    • De sport
  • Voorzetsels en eindpuzzel
    • Voorzetsels
    • De vrije tijd – Filippine

Meer lessen

  • Les 1 Kennis maken
  • Les 2 Het huis
  • Les 3 De tijd
  • Les 4 Het lichaam
  • Les 5 In de winkel
  • Les 6 Eten en drinken
  • Les 7 De kleding
  • Les 8 De familie
  • Les 9 Het vervoer
  • Les 10 De vrije tijd
16 november 2025

Woordenlijst – legenda

Each word is explained on a separate line / elk woord wordt op een aparte regel uitgelegd.

E.g. “aanrecht (het) [noun]: kitchen counter”

The Dutch word is “aanrecht”. The English translation is “kitchen counter”

Between [ ] brackets is the word type / tussen [ ] staat het woordtype:

  1. adj = adjective / bijvoeglijk naamwoord
  2. adv = adverb / bijwoord
  3. art = article / lidwoord
  4. name / naam
  5. ppro = personal pronoun / persoonlijk voornaamwoord
  6. num = numeral / telwoord
  7. exp = expression / uitdrukking
  8. con = conjunction / voegwoord
  9. pro = pronoun / voornaamwoord
  10. pre = preposition / voorzetsel
  11. verb / werkwoord
  12. noun / zelfstandig naamwoord

Most nouns have a definite article / de meeste zelfstandige naamwoorden hebben een bepaald lidwoord.

In Dutch it can be “de” or “het” / in het Nederlands kan dat “de” of “het” zijn.

aanrecht (het) [noun]: kitchen counter

The word is aanrecht. It is a noun. The article is het (het aanrecht). In English it is the kitchen counter.

×