Nederlandse les

Nederlandse les

  • Wij leren Nederlands
    • Les 1 Kennis maken
    • Les 2 Het huis
    • Les 3 De tijd
    • Les 4 Het lichaam
    • Les 5 In de winkel
    • Les 6 Eten en drinken
    • Les 7 De kleding
    • Les 8 De familie
    • Les 9 Het vervoer
    • Les 10 De vrije tijd

Les 9 Het vervoer

  • Het vervoer – woorden
  • Daarom, want, omdat
  • Behalve en overstappen
  • Voegwoorden
  • Het kruispunt
  • In het verkeer
  • Het vervoer – puzzels
Alle pagina’s van deze les
  • Het vervoer – woorden
    • Woorden in les 9
  • Daarom, want, omdat
    • Naar oma en opa
    • Daarom
    • Daarom – dictee
    • Want
    • Want – dictee
    • Omdat
    • Omdat – dictee
    • Want omdat – vragen
  • Behalve en overstappen
    • Behalve
    • Overstappen
  • Voegwoorden
    • Voegwoorden
    • Voegwoorden oefenen
    • Voegwoorden – dictee
  • Het kruispunt
    • Het kruispunt 1
    • Het kruispunt 2
    • Het kruispunt 3
    • Het kruispunt – dictee
  • In het verkeer
    • De fiets
    • Veilig op de fiets
    • Veilig op de fiets – dictee
    • Verkeersborden
  • Het vervoer – puzzels
    • Het vervoer – zoek de verschillen
    • Het vervoer – zoek de verschillen – dictee
    • Het vervoer – Filippine

Meer lessen

  • Les 1 Kennis maken
  • Les 2 Het huis
  • Les 3 De tijd
  • Les 4 Het lichaam
  • Les 5 In de winkel
  • Les 6 Eten en drinken
  • Les 7 De kleding
  • Les 8 De familie
  • Les 9 Het vervoer
  • Les 10 De vrije tijd
15 november 2025

Woordenlijst – legenda

Each word is explained on a separate line / elk woord wordt op een aparte regel uitgelegd.

E.g. “aanrecht (het) [noun]: kitchen counter”

The Dutch word is “aanrecht”. The English translation is “kitchen counter”

Between [ ] brackets is the word type / tussen [ ] staat het woordtype:

  1. adj = adjective / bijvoeglijk naamwoord
  2. adv = adverb / bijwoord
  3. art = article / lidwoord
  4. name / naam
  5. ppro = personal pronoun / persoonlijk voornaamwoord
  6. num = numeral / telwoord
  7. exp = expression / uitdrukking
  8. con = conjunction / voegwoord
  9. pro = pronoun / voornaamwoord
  10. pre = preposition / voorzetsel
  11. verb / werkwoord
  12. noun / zelfstandig naamwoord

Most nouns have a definite article / de meeste zelfstandige naamwoorden hebben een bepaald lidwoord.

In Dutch it can be “de” or “het” / in het Nederlands kan dat “de” of “het” zijn.

aanrecht (het) [noun]: kitchen counter

The word is aanrecht. It is a noun. The article is het (het aanrecht). In English it is the kitchen counter.

×