Nederlandse les

Nederlandse les

  • Wij leren Nederlands
    • Les 1 Kennis maken
    • Les 2 Het huis
    • Les 3 De tijd
    • Les 4 Het lichaam
    • Les 5 In de winkel
    • Les 6 Eten en drinken
    • Les 7 De kleding
    • Les 8 De familie
    • Les 9 Het vervoer
    • Les 10 De vrije tijd

Les 7 De kleding

  • Nieuwe kleren
  • De kleren hebben kleuren
  • Puzzelen met kleren
  • Waarom passen de kleren niet?
  • Het werkwoord en de verleden tijd
  • Materialen en eindpuzzel
Alle pagina’s van deze les
  • Nieuwe kleren
    • De kleding – woorden ♪
    • Een nieuwe jurk ♪
    • Een nieuwe jurk – vragen
    • Nieuwe schoenen ♪
    • Nieuwe schoenen – vragen
    • Nieuwe schoenen – dictee ♪
  • De kleren hebben kleuren
    • Welke kleur is dit? 1
    • Welke kleur is dit? 2
    • Kleuren – dictee ♪
    • De kleuren van mijn kleren
    • De kleuren van mijn kleren – dictee ♪
  • Puzzelen met kleren
    • Zoek de verschillen ♪
    • Zoek de verschillen – dictee ♪
    • Scrabble 1
    • Scrabble 2
    • Scrabble 3
  • Waarom passen de kleren niet?
    • Het past niet!
    • Het past niet – dictee ♪
  • Het werkwoord en de verleden tijd
    • Het hele werkwoord
    • Het hele werkwoord – dictee ♪
    • De regelmatige verleden tijd ♪
    • De verleden tijd – dictee ♪
  • Materialen en eindpuzzel
    • Materialen voor kleren ♪
    • Puzzel: Filippine ♪

Meer lessen

  • Les 1 Kennis maken
  • Les 2 Het huis
  • Les 3 De tijd
  • Les 4 Het lichaam
  • Les 5 In de winkel
  • Les 6 Eten en drinken
  • Les 7 De kleding
  • Les 8 De familie
  • Les 9 Het vervoer
  • Les 10 De vrije tijd
13 november 2025

Woordenlijst – legenda

Each word is explained on a separate line / elk woord wordt op een aparte regel uitgelegd.

E.g. “aanrecht (het) [noun]: kitchen counter”

The Dutch word is “aanrecht”. The English translation is “kitchen counter”

Between [ ] brackets is the word type / tussen [ ] staat het woordtype:

  1. adj = adjective / bijvoeglijk naamwoord
  2. adv = adverb / bijwoord
  3. art = article / lidwoord
  4. name / naam
  5. ppro = personal pronoun / persoonlijk voornaamwoord
  6. num = numeral / telwoord
  7. exp = expression / uitdrukking
  8. con = conjunction / voegwoord
  9. pro = pronoun / voornaamwoord
  10. pre = preposition / voorzetsel
  11. verb / werkwoord
  12. noun / zelfstandig naamwoord

Most nouns have a definite article / de meeste zelfstandige naamwoorden hebben een bepaald lidwoord.

In Dutch it can be “de” or “het” / in het Nederlands kan dat “de” of “het” zijn.

aanrecht (het) [noun]: kitchen counter

The word is aanrecht. It is a noun. The article is het (het aanrecht). In English it is the kitchen counter.

×