Nederlandse les

Nederlandse les

  • Wij leren Nederlands
    • Les 1 Kennis maken
    • Les 2 Het huis
    • Les 3 De tijd
    • Les 4 Het lichaam
    • Les 5 In de winkel
    • Les 6 Eten en drinken
    • Les 7 De kleding
    • Les 8 De familie
    • Les 9 Het vervoer
    • Les 10 De vrije tijd

De kleuren van mijn kleren

Overzicht les 7

Preloader Image
D07.10.01-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.02-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.03-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.04-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.05-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.06-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.07-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.08-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.09-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.10-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.11-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.12-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.13-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.14-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.15-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.16-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.17-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.18-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.19-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.20-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.21-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.22-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.23-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.24-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.25-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.26-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.27-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.28-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.29-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.30-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.31-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.32-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.33-de-kleuren-van-mijn-kleren
D07.10.34-de-kleuren-van-mijn-kleren

Meer lessen

  • Welke kleur is dit? 1
  • Welke kleur is dit? 2
  • Kleuren – dictee ♪
  • De kleuren van mijn kleren
  • De kleuren van mijn kleren – dictee ♪
13 november 2025

Woordenlijst – legenda

Each word is explained on a separate line / elk woord wordt op een aparte regel uitgelegd.

E.g. “aanrecht (het) [noun]: kitchen counter”

The Dutch word is “aanrecht”. The English translation is “kitchen counter”

Between [ ] brackets is the word type / tussen [ ] staat het woordtype:

  1. adj = adjective / bijvoeglijk naamwoord
  2. adv = adverb / bijwoord
  3. art = article / lidwoord
  4. name / naam
  5. ppro = personal pronoun / persoonlijk voornaamwoord
  6. num = numeral / telwoord
  7. exp = expression / uitdrukking
  8. con = conjunction / voegwoord
  9. pro = pronoun / voornaamwoord
  10. pre = preposition / voorzetsel
  11. verb / werkwoord
  12. noun / zelfstandig naamwoord

Most nouns have a definite article / de meeste zelfstandige naamwoorden hebben een bepaald lidwoord.

In Dutch it can be “de” or “het” / in het Nederlands kan dat “de” of “het” zijn.

aanrecht (het) [noun]: kitchen counter

The word is aanrecht. It is a noun. The article is het (het aanrecht). In English it is the kitchen counter.

×