Het hele werkwoord – dictee ♪
- Luister
- Praat
- Schrijf
- Lees

Wat zegt de docent?
Ik naai, wij naaien.
Wat zegt de docent?
U maakt, jullie maken.
Wat zegt de docent?
Hij wil, zij willen.
Wat zegt de docent?
Zij betaalt, zij betalen.
Wat zegt de docent?
Ik kam mijn haar, wij kammen ons haar.
Wat zegt de docent?
Zij heeft schoenmaat 39 (negen-en-dertg), jullie hebben schoenmaat 41 (een-en-veertig).
