Categorie: Alle lessen

De 10 openingspagina’s per les

  • De afspraak – dictee ♪

    De afspraak – dictee ♪

    Overzicht les 3

    1. Luister: luister eerst goed wat de docent zegt. Begrijp je wat de docent zegt?
    2. Praat: herhaal wat de docent zegt. Luister nog een keer.
    3. Schrijf: schrijf op wat de docent zegt.
    4. Lees: kijk of je het goed hebt geschreven.
  • Smaken en de menu-kaart

    Smaken en de menu-kaart

    Smaken en de menu-kaart

    Overzicht les 6

  • Tellen en de keuken

    Tellen en de keuken

    Tellen en de keuken

    Overzicht les 2

  • Les 4 Het lichaam – woordenlijst

    Les 4 Het lichaam – woordenlijst

    Overzicht woordenlijsten

    aan [adj]: on
    achter [pre]: behind
    afspraak (de) [noun]: appointment
    antwoord (het) [noun]: answer
    apotheek (de) [noun]: pharmacy
    arm (de) [noun]: arm
    auto (de) [noun]: auto
    baby (de) [noun]: baby
    bed (het) [noun]: bed
    been (het) [noun]: leg
    beter [adv]: better
    beterschap (de) [noun]: get well soon
    bezem (de) [noun]: broom
    blij [adj]: pleased
    blijven [verb]: to stay
    borstel (de) [noun]: brush
    brengen [verb]: to bring
    brood (het) [noun]: bread
    buik (de) [noun]: belly
    dank (de) [noun]: thanks
    dat [pro]: that
    de [art]: the
    diagnose (de) [noun]: diagnosis
    dictee (het) [noun]: dictation
    dit [pro]: this
    doen [verb]: doing
    dokter (de) [noun]: doctor (medical)
    douche (de) [noun]: shower
    drie [num]: three
    droog [adj]: dry
    druif (de) [noun]: grape
    duim (de) [noun]: thumb
    een [num]: An
    en [con]: and
    enkelvoud (het) [noun]: singular
    er [adv]: there
    filippine (de) [noun]: Philippine
    gaan [verb]: to go
    geen [num]: no
    gelukkig [adv]: happy
    geven [verb]: give
    gezicht (het) [noun]: sight
    gezond [adj]: healthy
    goed [adv]: Good
    goedemiddag [exp]: Good afternoon
    gordijn (het) [noun]: curtain
    graad (de) [noun]: degree
    griep (de) [noun]: flu
    haar (het) [noun]: her
    haardroger (de) [noun]: hairdryer
    haas (de) [noun]: hare
    half [adj]: half
    hand (de) [noun]: hand
    handdoek (de) [noun]: towel
    hebben [verb]: to have
    het [art]: It
    hij [ppro]: he
    hoe [adv]: how
    hoesten [verb]: coughing
    hoofd (het) [noun]: head
    hoofdpijn (de) [noun]: headache
    hoog [adj]: high
    huis (het) [noun]: house
    huisbezoek (het) [noun]: home visit
    ik [ppro]: I
    in [pre]: in
    jij [ppro]: you
    jou [ppro]: to you
    jouw [ppro]: your
    jullie [ppro]: plural you, your
    kam (de) [noun]: comb (for hair)
    kamer (de) [noun]: room
    kammen [verb]: to comb (hair)
    kapot [adv]: broken
    kast (de) [noun]: cupboard
    keel (de) [noun]: throat
    keelpijn (de) [noun]: a sore throat
    kiespijn (de) [noun]: toothache
    kijken [verb]: to look
    kind (het) [noun]: child
    klinker (de) [noun]: vowel
    knie (de) [noun]: knee
    knippen [verb]: to cut
    komen [verb]: to come
    koorts (de) [noun]: fever
    kussen (het) [noun]: to kiss
    laat [adv]: late (in time)
    last (de) [noun]: burden, trouble, problem
    leerling (de) [noun]: student
    les (de) [noun]: lesson
    lichaam (het) [noun]: body
    maar [adv]: but
    maken [verb]: to make
    man (de) [noun]: man
    me [ppro]: me
    medicijn (de) [noun]: medicine
    meervoud (het) [noun]: plural
    meisje (het) [noun]: girl
    mens (de) [noun]: person, human
    met [pre]: with
    meten [verb]: to measure
    mij [ppro]: me
    mijn [pro]: my, mine
    moeten [verb]: must
    mond (de) [noun]: mouth
    naar [pre]: to (direction)
    nagel (de) [noun]: nail
    nagelschaar (de) [noun]: nail scissors
    nat [adj]: wet
    nederlands [adj]: Dutch
    nee [adv]: no
    neus (de) [noun]: nose
    niet [adv]: not
    normaal [adj]: normal
    nu [adv]: now
    of [con]: or
    oksel (de) [noun]: armpit
    om [pre]: to, around, at (time)
    onder [pre]: under
    ons [ppro]: us
    oog (het) [noun]: eye
    ook [adv]: also
    oor (het) [noun]: ear
    op [pre]: on
    overgeven [verb]: vomit, throw up (food)
    patiënt (de) [noun]: patient
    pen (de) [noun]: pen
    pijn [adj]: pain
    poes (de) [noun]: woman cat, sweet cat
    recept (het) [noun]: recipe
    regel (de) [noun]: rule
    schaar (de) [noun]: pair of scissors
    schoen (de) [noun]: shoe
    schouder (de) [noun]: shoulder
    schrijven [verb]: to write
    shampoo (de) [noun]: shampoo
    snel [adv]: fast
    staan [verb]: to stand
    stil [adv]: quiet, silent
    stoel (de) [noun]: chair
    syriër (de) [noun]: Syrian
    tafel (de) [noun]: table
    te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much)
    teen (de) [noun]: toe
    temperatuur (de) [noun]: temperature
    thermometer (de) [noun]: thermometer
    thuis [adv]: At home
    tien [num]: ten
    tijd (de) [noun]: time
    twee [num]: two
    u [ppro]: you formal, respect
    uw [ppro]: your formal, respect
    vakantie (de) [noun]: vacation
    van [pre]: by, from, of
    vanmiddag [adv]: this afternoon
    verhoging (de) [noun]: elevation, low fever
    verkouden [adj]: cold. sick, running nose
    vier [num]: four
    vinger (de) [noun]: finger
    voet (de) [noun]: foot
    vraag (de) [noun]: question mark
    vragen [verb]: to ask
    vrouw (de) [noun]: woman
    vullen [verb]: fill
    waar [adv]: true, where
    wassen [verb]: to wash
    wat [adv]: what
    water (het) [noun]: water
    weer [adv]: weather
    wel [adv]: well, yes, indeed
    weten [verb]: to know
    wij [ppro]: We
    zeep (de) [noun]: soap
    ziek [adj]: sick
    zien [verb]: to see
    zij [ppro]: she (single), they (plural)
    zijn [verb]: are
    zitten [verb]: to sit
    zullen [verb]: shall