Categorie: Alle lessen
De 10 openingspagina’s per les
-
Les 3 De tijd – woordenlijst
Les 3 De tijd – woordenlijst
acht [num]: eight afspraak (de) [noun]: appointment agenda (de) [noun]: agenda antwoord (het) [noun]: answer april [name]: April augustus [name]: August avond (de) [noun]: evening bank (de) [noun]: bank beginnen [verb]: begin bloeien [verb]: bloom bloem (de) [noun]: flower boom (de) [noun]: tree bruin [adj]: brown buiten [adv]: outside dag (de) [noun]: day dagdeel (het) [noun]: part of the day datum (de) [noun]: date de [art]: the december [name]: December detail (het) [noun]: detail dictee (het) [noun]: dictation dinsdag [name]: Tuesday dit [pro]: this donderdag [name]: Thursday donker [adj]: dark drie [num]: three een [num]: An één [num]: one (1) eergisteren [adv]: the day before yesterday ei (het) [noun]: egg elf [num]: eleven en [con]: and eten [verb]: to eat februari [name]: February gaan [verb]: to go geboren [adv]: born geel [adj]: yellow geen [num]: no gisteren [adv]: yesterday goed [adv]: Good grammatica (de) [noun]: grammar groen [adj]: green haan (de) [noun]: rooster half [adj]: half hebben [verb]: to have herfst (de) [noun]: autumn het [art]: It heten [verb]: to be named hij [ppro]: he hoe [adv]: how ik [ppro]: I in [pre]: in ja [adv]: Yes jaar (het) [noun]: year januari [name]: January jij [ppro]: you juli [name]: July jullie [ppro]: plural you, your juni [name]: June kerstmis (de) [noun]: Christmas kijken [verb]: to look kind (het) [noun]: child klok (de) [noun]: clock komen [verb]: to come kort [adv]: short koud [adj]: cold kraaien [verb]: crows kukelekuu [exp]: cock-a-doodle-doo kwart [num]: quarter kwartier (het) [noun]: quarter hour laat [adv]: late (in time) lam (het) [noun]: lamb lang [adj]: long leggen [verb]: to lay lente (de) [noun]: spring les (de) [noun]: lesson maan (de) [noun]: Moon maand (de) [noun]: month maandag [name]: Monday maart [name]: March mei [name]: May mens (de) [noun]: person, human met [pre]: with middag (de) [noun]: afternoon mijn [pro]: my, mine minuut (de) [noun]: minute morgen (de) [noun]: tomorrow naar [pre]: to (direction) nacht (de) [noun]: night nee [adv]: no negen [num]: nine nieuw [adj]: new november [name]: November ochtend [adv]: morning oktober [name]: October om [pre]: to, around, at (time) onder [pre]: under onderwerp (het) [noun]: subject op [pre]: on over [pre]: about overmorgen [adv]: the day after tomorrow precies [adv]: precisely puzzel (de) [noun]: puzzle regenen [verb]: rain ‘s avonds [adv]: in the evening ‘s middags [adv]: in the afternoon ‘s morgens [adv]: in the morning ‘s nachts [adv]: at night schijnen [verb]: to shine school (de) [noun]: school schrikken [verb]: to startle seizoen (het) [noun]: season september [name]: September slapen [verb]: to sleep sneeuwen [verb]: to snow spelen [verb]: to play ster (de) [noun]: star strand (het) [noun]: beach televisie (de) [noun]: television twaalf [num]: twelve twee [num]: two uur (het) [noun]: o’clock van [pre]: by, from, of vier [num]: four vijf [num]: five volgende [num]: next voor [pre]: for vraag (de) [noun]: question mark wat [adv]: what week (de) [noun]: week welke [adv]: which wij [ppro]: We worden [verb]: become zes [num]: six zeven [num]: seven zijn [verb]: are zitten [verb]: to sit zon (de) [noun]: sun -
-
Les 3 De tijd – woordenlijst PDF
Les 3 De tijd – woordenlijst PDF
-
-
Dit is mijn huis – vragen
Dit is mijn huis – vragen
-
-
Daarom
Daarom
-
Wie ben ik – vragen
Wie ben ik – vragen


























