Categorie: Les 06 Eten en drinken
-
-
Les 6 Eten en drinken – woordenlijst
Les 6 Eten en drinken – woordenlijst
aan [adj]: on aardappel (de) [noun]: potato aardbei (de) [noun]: strawberry ananas (de) [noun]: pineapple antwoord (het) [noun]: answer antwoorden [verb]: answers appel (de) [noun]: apple azijn (de) [noun]: vinegar banaan (de) [noun]: banana basilicum (de) [noun]: basil beer (de) [noun]: bear beetje [adv]: bit berg (de) [noun]: mountain bes (de) [noun]: berry bestek (het) [noun]: cutlery (spoon, knife, fork) bier (het) [noun]: beer biet (de) [noun]: beet big (de) [noun]: big bij [adv]: bee bitter [adj]: bitter blauw [adj]: blue bloemkool (de) [noun]: cauliflower boer (de) [noun]: farmer boerderij (de) [noun]: farm boerin (de) [noun]: woman farmer bord (het) [noun]: board boter (de) [noun]: butter braden [verb]: roast broccoli (de) [noun]: broccoli broodje (het) [noun]: sandwich bruin [adj]: brown cappucino (de) [noun]: cappuccino chip (de) [noun]: chip chocolademelk (de) [noun]: chocolate milk citroen (de) [noun]: lemon courgette (de) [noun]: zucchini daar [adv]: there dag (de) [noun]: day dagelijks [adv]: daily dan [adv]: than de [art]: the dekken [verb]: cover deze [pro]: this / these dictee (het) [noun]: dictation dier (de) [noun]: animal dik [adj]: thick dit [pro]: this doen [verb]: doing donderdag [name]: Thursday door [pre]: Through drank (de) [noun]: drink drinken [verb]: drinks druif (de) [noun]: grape een [num]: An ei (het) [noun]: egg eiersalade (de) [noun]: egg salad elkaar [pro]: each other en [con]: and er [adv]: there eten [verb]: to eat filippine (de) [noun]: Philippine fles (de) [noun]: bottle frisdrank (de) [noun]: soft drink fruit (het) [noun]: fruit geel [adj]: yellow gehakt (het) [noun]: minced meat geven [verb]: give gezond [adj]: healthy glas (het) [noun]: glass groente (de) [noun]: vegetables groenteboer (de) [noun]: greengrocer groot [adj]: big haan (de) [noun]: rooster haar (het) [noun]: her hebben [verb]: to have hem [ppro]: him hen (de) [noun]: them hengst (de) [noun]: stallion het [art]: It heten [verb]: to be named hij [ppro]: he hoe [adv]: how hoeveel [pro]: how many honger [adj]: hunger honing (de) [noun]: honey huid (de) [noun]: skin ik [ppro]: I in [pre]: in ja [adv]: Yes je [ppro]: you jij [ppro]: you jong [adj]: young jullie [ppro]: plural you, your kaas (de) [noun]: cheese kalf (het) [noun]: calf kar (de) [noun]: cart kast (de) [noun]: cupboard kebab (de) [noun]: kebab kers (de) [noun]: cherry keuken (de) [noun]: kitchen kind (het) [noun]: child kip (de) [noun]: chicken kiwi (de) [noun]: kiwi klaar [adv]: finished, ready klein [adj]: small knoflook (de) [noun]: garlic koe (de) [noun]: cow koffie (de) [noun]: coffee koken [verb]: to cook komkommer (de) [noun]: cucumber kopen [verb]: buy koriander (de) [noun]: coriander kosten [verb]: costs kuiken (het) [noun]: chicklet, young bird lam (het) [noun]: lamb lang [adj]: long leer (het) [noun]: leather leggen [verb]: to lay lekker [adj]: tasty, nice (food, smell, feeling, weather) lopen [verb]: to walk maken [verb]: to make man (de) [noun]: man meisje (het) [noun]: girl melk (de) [noun]: milk meloen (de) [noun]: melon mens (de) [noun]: person, human menu (het) [noun]: menu merrie (de) [noun]: mare met [pre]: with mij [ppro]: me minuut (de) [noun]: minute moeten [verb]: must of [con]: or olijfolie (de) [noun]: olive oil ons [ppro]: us ooi (de) [noun]: ewe ook [adv]: also op [pre]: on openingstijd (de) [noun]: opening time over [pre]: about paard (het) [noun]: horse pakken [verb]: to take pan (de) [noun]: Pan pannekoek (de) [noun]: pancake paprika (de) [noun]: bell pepper patat (de) [noun]: chips peer (de) [noun]: pear peper (de) [noun]: pepper prei (de) [noun]: leek proeven [verb]: to taste, try food for taste puzzel (de) [noun]: puzzle ram (de) [noun]: Ram restaurant (het) [noun]: restaurant rijden [verb]: to ride rood [adj]: red room (de) [noun]: cream rozemarijn (de) [noun]: rosemary rug (de) [noun]: back rundvlees (het) [noun]: beef salade (de) [noun]: salad samen [adv]: together saus (de) [noun]: sauce schaap (het) [noun]: sheep schenken [verb]: to poor in (drink) schil (de) [noun]: peel schillen [verb]: peel (remove skin from fruit) sinaasappel (de) [noun]: orange (fruit) sla (de) [noun]: salad slager (de) [noun]: butcher slakom (de) [noun]: salad bowl smakelijk [adj]: tasty smaken [verb]: flavors snijden [verb]: cutting soep (de) [noun]: soup spaghetti (de) [noun]: spaghetti sperzieboon (de) [noun]: green beans spinazie (de) [noun]: spinach spruit (de) [noun]: sprout staan [verb]: to stand stier (de) [noun]: bull suiker (de) [noun]: sugar supermarkt (de) [noun]: supermarket tafel (de) [noun]: table tegen [pre]: against tegenwoordig [adv]: nowadays thee (de) [noun]: tea tijd (de) [noun]: time tomaat (de) [noun]: tomato tomatensaus (de) [noun]: tomato sauce trek (de) [noun]: appetite tuinkruid (het) [noun]: garden herb twee [num]: two ui (de) [noun]: onion van [pre]: by, from, of vandaag [adv]: Today varken (het) [noun]: pig veulen (het) [noun]: foal vinden [verb]: find vis (de) [noun]: fish vlees (het) [noun]: meat voltooien [verb]: to complete, finish voor [pre]: for vraag (de) [noun]: question mark vragen [verb]: to ask vrouw (de) [noun]: woman waar [adv]: true, where wakker [adj]: awake wat [adv]: what water (het) [noun]: water we [ppro]: we werken [verb]: to work wie [adv]: who wij [ppro]: We wit [adj]: white witlof (de) [noun]: chicory, white salad wol (de) [noun]: wool wonen [verb]: to live (in a house, city) worst (de) [noun]: sausage wortel (de) [noun]: root yoghurt (de) [noun]: yogurt zalm (de) [noun]: salmon ze [ppro]: she (single), they (plural) zeggen [verb]: to say zetten [verb]: to put in place zeug (de) [noun]: sow zij [ppro]: she (single), they (plural) zijn [verb]: are zitten [verb]: to sit zoet [adj]: sweet zorgen [verb]: to assure, to care for, worries zout (het) [noun]: salty zuur [adj]: acid, sour (like vinegar) zwart [adj]: black -
Les 6 Eten en drinken – woordenlijst PDF
Les 6 Eten en drinken – woordenlijst PDF
-
Lekker eten – dictee ♪
Lekker eten – dictee ♪
Wat zegt de docent?
De vis moet 6 minuten braden.
Wat zegt de docent?
Hij doet een beetje zout en peper op de vis.
Wat zegt de docent?
Zij pakt sla, tomaten en komkommer.
Wat zegt de docent?
Zij snijdt dit klein en doet het in een slakom.
Wat zegt de docent?
Zij doet er tuinkruiden, olie en azijn bij.
-
Scrabble eten 1
Scrabble eten 1
-
Scrabble eten 2
Scrabble eten 2








