Nederlandse les
Overzicht les 6
Pagina’s: 1 2 3 4 5 6
Pagina’s: 1 2 3
Mustafa en Sara zijn in de keuken.
Zij koken samen het eten.
Zij eten aardappels met vis en salade.
Zij maakt de salade en hij dekt de tafel.
Zij doet water en zout in de pan.
Each word is explained on a separate line / elk woord wordt op een aparte regel uitgelegd.
E.g. “aanrecht (het) [noun]: kitchen counter”
The Dutch word is “aanrecht”. The English translation is “kitchen counter”
Between [ ] brackets is the word type / tussen [ ] staat het woordtype:
Most nouns have a definite article / de meeste zelfstandige naamwoorden hebben een bepaald lidwoord.
In Dutch it can be “de” or “het” / in het Nederlands kan dat “de” of “het” zijn.
aanrecht (het) [noun]: kitchen counter
The word is aanrecht. It is a noun. The article is het (het aanrecht). In English it is the kitchen counter.