Categorie: Bijlage
Extra pagina’s zoals woordenlijsten, uitspraaklessen op YouTube etc.
-
Les 5 In de winkel – woordenlijst PDF
Les 5 In de winkel – woordenlijst PDF
-
Les 5 In de winkel – woordenlijst
Les 5 In de winkel – woordenlijst
aan [adj]: on acht [num]: eight achter [pre]: behind achterste [adj]: rear, last als [adv]: as appel (de) [noun]: apple automaat (de) [noun]: automatic machine baard (de) [noun]: beard badkamer (de) [noun]: bathroom banaan (de) [noun]: banana band (de) [noun]: band bank (de) [noun]: bank bankpas (de) [noun]: bank card betaalautomaat (de) [noun]: payment terminal betalen [verb]: pay bij [adv]: bee blauw [adj]: blue bloem (de) [noun]: flower boek (het) [noun]: book boodschap (de) [noun]: errand bos (het) [noun]: bunch broccoli (de) [noun]: broccoli dan [adv]: than de [art]: the delen [verb]: to share deze [pro]: this / these dictee (het) [noun]: dictation dik [adj]: thick dit [pro]: this doen [verb]: doing door [pre]: Through drie [num]: three duizend [num]: thousand dun [adj]: thin duur [adj]: duration een [num]: An eerste [adj]: first elf [num]: eleven en [con]: and enkelvoud (het) [noun]: singular eten [verb]: to eat euro (de) [noun]: euro evenveel [adv]: as much filippine (de) [noun]: Philippine fles (de) [noun]: bottle fruit (het) [noun]: fruit gaan [verb]: to go geld (het) [noun]: money genoeg [adv]: enough goedkoop [adj]: cheap gram (de) [noun]: gram groen [adj]: green groente (de) [noun]: vegetables groot [adj]: big haar (het) [noun]: her half [adj]: half hebben [verb]: to have het [art]: It hij [ppro]: he hond (de) [noun]: dog honderd [num]: one hundred hoofd (het) [noun]: head huis (het) [noun]: house ik [ppro]: I in [pre]: in jas (de) [noun]: coat je [ppro]: you jij [ppro]: you jong [adj]: young jongen (de) [noun]: boy jouw [ppro]: your jullie [ppro]: plural you, your kapot [adv]: broken kassa (de) [noun]: cash register, money counter kassabon (de) [noun]: cash receipt keer (de) [noun]: time, times (one time, two times) kers (de) [noun]: cherry kijken [verb]: to look kilo (de) [noun]: kilo kin (de) [noun]: chin kind (het) [noun]: child klein [adj]: small kleur (de) [noun]: colour kopen [verb]: buy kosten [verb]: costs krijgen [verb]: to get kussen (het) [noun]: to kiss lachen [verb]: laugh leggen [verb]: to lay lekker [adj]: tasty, nice (food, smell, feeling, weather) lelijk [adj]: ugly letter (de) [noun]: character (a, b, c) lettergreep (de) [noun]: syllable lief [adj]: sweet, nice (person) liggen [verb]: to lie down lopen [verb]: to walk maar [adv]: but maken [verb]: to make man (de) [noun]: man meer [adv]: more meervoud (het) [noun]: plural meisje (het) [noun]: girl mens (de) [noun]: person, human met [pre]: with middelste [adj]: middle one mijn [pro]: my, mine min [adv]: minus minder [adv]: fewer mooi [adj]: nice, beautiful naar [pre]: to (direction) naast [pre]: next to nee [adv]: no negen [num]: nine niet [adv]: not nieuw [adj]: new nu [adv]: now of [con]: or ons [ppro]: us ook [adv]: also op [pre]: on oud [adj]: old paardenstaart (de) [noun]: ponytail paars [adj]: purple pen (de) [noun]: pen per [adv]: per pet (de) [noun]: cap pinbon (de) [noun]: pin receipt pincode (de) [noun]: PIN code plus [adv]: plus poes (de) [noun]: woman cat, sweet cat portemonnee (de) [noun]: wallet precies [adv]: precisely prijs (de) [noun]: price puzzel (de) [noun]: puzzle rangtelwoord (het) [noun]: ordinal number rij (de) [noun]: row schap (het) [noun]: shelf in a shop schilderij (het) [noun]: painting schoon [adj]: clean schrift (het) [noun]: notebook shampoo (de) [noun]: shampoo slapen [verb]: to sleep spinazie (de) [noun]: spinach staan [verb]: to stand staart (de) [noun]: tail stoel (de) [noun]: chair stout [adj]: stout tachtig [num]: eighty tafel (de) [noun]: table tas (de) [noun]: bag te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much) tegenstelling (de) [noun]: contrast, contradiction tien [num]: ten toets (de) [noun]: key on keyboard toetsen [verb]: to key in on keyboard tros [num]: bunch twaalf [num]: twelve twee [num]: two ui (de) [noun]: onion van [pre]: by, from, of veel [num]: a lot of vest (het) [noun]: vest vier [num]: four vies [adj]: dirty vijf [num]: five vlees (het) [noun]: meat voor [pre]: for voorste [adj]: front, first vrouw (de) [noun]: woman waar [adv]: true, where want [con]: because wat [adv]: what wc (de) [noun]: toilet weinig [num]: few wel [adv]: well, yes, indeed welke [adv]: which wie [adv]: who wij [ppro]: We willen [verb]: to want, wish winkel (de) [noun]: shop winkelmand (de) [noun]: shopping basket winkelwagen (de) [noun]: shopping cart wit [adj]: white worst (de) [noun]: sausage zes [num]: six zeven [num]: seven zij [ppro]: she (single), they (plural) zijn [verb]: are zin (de) [noun]: sentence zwart [adj]: black -
Les 6 Eten en drinken – woordenlijst PDF
Les 6 Eten en drinken – woordenlijst PDF
-
Les 6 Eten en drinken – woordenlijst
Les 6 Eten en drinken – woordenlijst
aan [adj]: on aardappel (de) [noun]: potato aardbei (de) [noun]: strawberry ananas (de) [noun]: pineapple antwoord (het) [noun]: answer antwoorden [verb]: answers appel (de) [noun]: apple azijn (de) [noun]: vinegar banaan (de) [noun]: banana basilicum (de) [noun]: basil beer (de) [noun]: bear beetje [adv]: bit berg (de) [noun]: mountain bes (de) [noun]: berry bestek (het) [noun]: cutlery (spoon, knife, fork) bier (het) [noun]: beer biet (de) [noun]: beet big (de) [noun]: big bij [adv]: bee bitter [adj]: bitter blauw [adj]: blue bloemkool (de) [noun]: cauliflower boer (de) [noun]: farmer boerderij (de) [noun]: farm boerin (de) [noun]: woman farmer bord (het) [noun]: board boter (de) [noun]: butter braden [verb]: roast broccoli (de) [noun]: broccoli broodje (het) [noun]: sandwich bruin [adj]: brown cappucino (de) [noun]: cappuccino chip (de) [noun]: chip chocolademelk (de) [noun]: chocolate milk citroen (de) [noun]: lemon courgette (de) [noun]: zucchini daar [adv]: there dag (de) [noun]: day dagelijks [adv]: daily dan [adv]: than de [art]: the dekken [verb]: cover deze [pro]: this / these dictee (het) [noun]: dictation dier (de) [noun]: animal dik [adj]: thick dit [pro]: this doen [verb]: doing donderdag [name]: Thursday door [pre]: Through drank (de) [noun]: drink drinken [verb]: drinks druif (de) [noun]: grape een [num]: An ei (het) [noun]: egg eiersalade (de) [noun]: egg salad elkaar [pro]: each other en [con]: and er [adv]: there eten [verb]: to eat filippine (de) [noun]: Philippine fles (de) [noun]: bottle frisdrank (de) [noun]: soft drink fruit (het) [noun]: fruit geel [adj]: yellow gehakt (het) [noun]: minced meat geven [verb]: give gezond [adj]: healthy glas (het) [noun]: glass groente (de) [noun]: vegetables groenteboer (de) [noun]: greengrocer groot [adj]: big haan (de) [noun]: rooster haar (het) [noun]: her hebben [verb]: to have hem [ppro]: him hen (de) [noun]: them hengst (de) [noun]: stallion het [art]: It heten [verb]: to be named hij [ppro]: he hoe [adv]: how hoeveel [pro]: how many honger [adj]: hunger honing (de) [noun]: honey huid (de) [noun]: skin ik [ppro]: I in [pre]: in ja [adv]: Yes je [ppro]: you jij [ppro]: you jong [adj]: young jullie [ppro]: plural you, your kaas (de) [noun]: cheese kalf (het) [noun]: calf kar (de) [noun]: cart kast (de) [noun]: cupboard kebab (de) [noun]: kebab kers (de) [noun]: cherry keuken (de) [noun]: kitchen kind (het) [noun]: child kip (de) [noun]: chicken kiwi (de) [noun]: kiwi klaar [adv]: finished, ready klein [adj]: small knoflook (de) [noun]: garlic koe (de) [noun]: cow koffie (de) [noun]: coffee koken [verb]: to cook komkommer (de) [noun]: cucumber kopen [verb]: buy koriander (de) [noun]: coriander kosten [verb]: costs kuiken (het) [noun]: chicklet, young bird lam (het) [noun]: lamb lang [adj]: long leer (het) [noun]: leather leggen [verb]: to lay lekker [adj]: tasty, nice (food, smell, feeling, weather) lopen [verb]: to walk maken [verb]: to make man (de) [noun]: man meisje (het) [noun]: girl melk (de) [noun]: milk meloen (de) [noun]: melon mens (de) [noun]: person, human menu (het) [noun]: menu merrie (de) [noun]: mare met [pre]: with mij [ppro]: me minuut (de) [noun]: minute moeten [verb]: must of [con]: or olijfolie (de) [noun]: olive oil ons [ppro]: us ooi (de) [noun]: ewe ook [adv]: also op [pre]: on openingstijd (de) [noun]: opening time over [pre]: about paard (het) [noun]: horse pakken [verb]: to take pan (de) [noun]: Pan pannekoek (de) [noun]: pancake paprika (de) [noun]: bell pepper patat (de) [noun]: chips peer (de) [noun]: pear peper (de) [noun]: pepper prei (de) [noun]: leek proeven [verb]: to taste, try food for taste puzzel (de) [noun]: puzzle ram (de) [noun]: Ram restaurant (het) [noun]: restaurant rijden [verb]: to ride rood [adj]: red room (de) [noun]: cream rozemarijn (de) [noun]: rosemary rug (de) [noun]: back rundvlees (het) [noun]: beef salade (de) [noun]: salad samen [adv]: together saus (de) [noun]: sauce schaap (het) [noun]: sheep schenken [verb]: to poor in (drink) schil (de) [noun]: peel schillen [verb]: peel (remove skin from fruit) sinaasappel (de) [noun]: orange (fruit) sla (de) [noun]: salad slager (de) [noun]: butcher slakom (de) [noun]: salad bowl smakelijk [adj]: tasty smaken [verb]: flavors snijden [verb]: cutting soep (de) [noun]: soup spaghetti (de) [noun]: spaghetti sperzieboon (de) [noun]: green beans spinazie (de) [noun]: spinach spruit (de) [noun]: sprout staan [verb]: to stand stier (de) [noun]: bull suiker (de) [noun]: sugar supermarkt (de) [noun]: supermarket tafel (de) [noun]: table tegen [pre]: against tegenwoordig [adv]: nowadays thee (de) [noun]: tea tijd (de) [noun]: time tomaat (de) [noun]: tomato tomatensaus (de) [noun]: tomato sauce trek (de) [noun]: appetite tuinkruid (het) [noun]: garden herb twee [num]: two ui (de) [noun]: onion van [pre]: by, from, of vandaag [adv]: Today varken (het) [noun]: pig veulen (het) [noun]: foal vinden [verb]: find vis (de) [noun]: fish vlees (het) [noun]: meat voltooien [verb]: to complete, finish voor [pre]: for vraag (de) [noun]: question mark vragen [verb]: to ask vrouw (de) [noun]: woman waar [adv]: true, where wakker [adj]: awake wat [adv]: what water (het) [noun]: water we [ppro]: we werken [verb]: to work wie [adv]: who wij [ppro]: We wit [adj]: white witlof (de) [noun]: chicory, white salad wol (de) [noun]: wool wonen [verb]: to live (in a house, city) worst (de) [noun]: sausage wortel (de) [noun]: root yoghurt (de) [noun]: yogurt zalm (de) [noun]: salmon ze [ppro]: she (single), they (plural) zeggen [verb]: to say zetten [verb]: to put in place zeug (de) [noun]: sow zij [ppro]: she (single), they (plural) zijn [verb]: are zitten [verb]: to sit zoet [adj]: sweet zorgen [verb]: to assure, to care for, worries zout (het) [noun]: salty zuur [adj]: acid, sour (like vinegar) zwart [adj]: black -
Les 7 De kleding – woordenlijst PDF
Les 7 De kleding – woordenlijst PDF
-
Les 7 De kleding – woordenlijst
Les 7 De kleding – woordenlijst
alle [num]: all antwoord (het) [noun]: answer appel (de) [noun]: apple bamboe (de) [noun]: bamboo been (het) [noun]: leg betalen [verb]: pay blauw [adj]: blue blij [adj]: pleased blouse (de) [noun]: blouse borst (de) [noun]: chest broek (de) [noun]: pair of trousers bruin [adj]: brown centimeter (de) [noun]: centimeter cm (de) [noun]: cm (centimeter) daarom [adv]: that’s why dame (de) [noun]: lady dameskleding (de) [noun]: women’s clothing dat [pro]: that de [art]: the dekken [verb]: cover deze [pro]: this / these dictee (het) [noun]: dictation dit [pro]: this dragen [verb]: wear dweilen [verb]: mop een [num]: An en [con]: and eten [verb]: to eat februari [name]: February geel [adj]: yellow gisteren [adv]: yesterday grijs [adj]: gray groen [adj]: green groot [adj]: big haar (het) [noun]: her hangen [verb]: hang hebben [verb]: to have heel [adv]: all, complete, restored hemd (het) [noun]: shirt het [art]: It heup (de) [noun]: hip hier [adv]: here hij [ppro]: he hoed (de) [noun]: hat hun [ppro]: their ik [ppro]: I in [pre]: in internationaal [adj]: international ja [adv]: Yes jas (de) [noun]: coat je [ppro]: you jij [ppro]: you jouw [ppro]: your jullie [ppro]: plural you, your jurk (de) [noun]: dress kammen [verb]: to comb (hair) kapot [adv]: broken katoen (de) [noun]: cotton kledingmaat (de) [noun]: clothing size kledingwinkel (de) [noun]: clothing store klein [adj]: small kleren (de) [noun]: clothes kleur (de) [noun]: colour koken [verb]: to cook kopen [verb]: buy kort [adv]: short kous (de) [noun]: stocking krap [adj]: tight lang [adj]: long leer (het) [noun]: leather leren [verb]: to learn linnen (het) [noun]: linen maandag [name]: Monday maar [adv]: but maat (de) [noun]: mate maken [verb]: to make met [pre]: with mijn [pro]: my, mine naaien [verb]: sewing niet [adv]: not nieuw [adj]: new nu [adv]: now nylon (het) [noun]: nylon onderbroek (de) [noun]: underpants ons [ppro]: us oranje [adj]: orange oud [adj]: old overhemd (het) [noun]: shirt pak (het) [noun]: suit passen [verb]: to fit polyester (de) [noun]: polyester precies [adv]: precisely proeven [verb]: to taste, try food for taste regelmatig [adv]: regularly rok (de) [noun]: skirt rood [adj]: red roze [adj]: pink salade (de) [noun]: salad schillen [verb]: peel (remove skin from fruit) schoen (de) [noun]: shoe schoenmaat (de) [noun]: shoe size schoon [adj]: clean shirt (het) [noun]: shirt sportschoen (de) [noun]: sports shoe stof (de) [noun]: dust tafel (de) [noun]: table taille (de) [noun]: waist te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much) tegenwoordig [adv]: nowadays tijd (de) [noun]: time trui (de) [noun]: sweater uw [ppro]: your formal, respect van [pre]: by, from, of vandaag [adv]: Today verkopen [verb]: to sell verleden (het) [noun]: past vest (het) [noun]: vest vies [adj]: dirty vloer (de) [noun]: floor voet (de) [noun]: foot voor [pre]: for vraag (de) [noun]: question mark vroeger [adv]: earlier, in the past vrouw (de) [noun]: woman waar [adv]: true, where waarom [pro]: Why want [con]: because wassen [verb]: to wash wat [adv]: what week (de) [noun]: week welke [adv]: which werkwoord (het) [noun]: verb wij [ppro]: We wijd [adj]: wide willen [verb]: to want, wish winkel (de) [noun]: shop wit [adj]: white wol (de) [noun]: wool ze [ppro]: she (single), they (plural) zij [ppro]: she (single), they (plural) zijde (de) [noun]: side (location), silk (fabric) zijn [verb]: are zin (de) [noun]: sentence zo [adv]: like this zo’n [exp]: such a zoeken [verb]: to search zondag [name]: Sunday zwart [adj]: black -
Les 8 De familie – woordenlijst PDF
Les 8 De familie – woordenlijst PDF
-
Les 8 De familie – woordenlijst
Les 8 De familie – woordenlijst
achterkleinkind (het) [noun]: great-grandchild afspreken [verb]: to agree, appoint allerliefste [adj]: most dearest alles [num]: everything alstublieft [exp]: please antwoord (het) [noun]: answer baby (de) [noun]: baby bed (het) [noun]: bed bellen [verb]: to call bezoek (het) [noun]: visit bij [adv]: bee blij [adj]: pleased blijven [verb]: to stay broer (de) [noun]: brother buik (de) [noun]: belly cadeau (het) [noun]: gift citroen (de) [noun]: lemon daar [adv]: there dag (de) [noun]: day dan [adv]: than dank (de) [noun]: thanks dat [pro]: that de [art]: the deze [pro]: this / these dictee (het) [noun]: dictation die [pro]: that / those dit [pro]: this dochter (de) [noun]: daughter dokter (de) [noun]: doctor (medical) drie [num]: three echtgenoot (de) [noun]: husband, wife, marital partner een [num]: An één [num]: one (1) ééntje [num]: a small one eigen [adj]: own elkaar [pro]: each other en [con]: and enkelvoud (het) [noun]: singular er [adv]: there eten [verb]: to eat even [adv]: even familie (de) [noun]: family feest (het) [noun]: party feliciteren [verb]: congratulate filippine (de) [noun]: Philippine gaan [verb]: to go gast (de) [noun]: guest generatie (de) [noun]: generation gezin (het) [noun]: small family / household gisteren [adv]: yesterday goed [adv]: Good goedemiddag [exp]: Good afternoon graag [adj]: please, happy groot [adj]: big grootmoeder (de) [noun]: grandmother grootouder (de) [noun]: grandparent grootvader (de) [noun]: grandfather haar (het) [noun]: her hallo [exp]: Hello hebben [verb]: to have heel [adv]: all, complete, restored hem [ppro]: him het [art]: It heten [verb]: to be named hij [ppro]: he hoe [adv]: how hoera [exp]: hurrah hond (de) [noun]: dog honing (de) [noun]: honey houden [verb]: keep huis (het) [noun]: house hun [ppro]: their idee (het) [noun]: idea iedereen [pro]: everyone ik [ppro]: I in [pre]: in ja [adv]: Yes jaar (het) [noun]: year jarig [adv]: birthday je [ppro]: you jij [ppro]: you jou [ppro]: to you jouw [ppro]: your jullie [ppro]: plural you, your keel (de) [noun]: throat kind (het) [noun]: child kleindochter (de) [noun]: granddaughter kleinkind (het) [noun]: grandchild kleinzoon (de) [noun]: grandson koekje (het) [noun]: cookie koffie (de) [noun]: coffee kom (de) [noun]: a bowl, to come komen [verb]: to come kopje (het) [noun]: little cup krijgen [verb]: to get kunnen [verb]: be able to lekker [adj]: tasty, nice (food, smell, feeling, weather) leuk [adj]: nice liever [adv]: rather liggen [verb]: to lie down limonade (de) [noun]: lemonade lusten [verb]: to like, find tasty (food) maar [adv]: but mama (de) [noun]: mom man (de) [noun]: man mee [adv]: along, together meenemen [verb]: take along meervoud (het) [noun]: plural meisje (het) [noun]: girl melk (de) [noun]: milk met [pre]: with mevrouw (de) [noun]: Madam mij [ppro]: me mijn [pro]: my, mine moeder (de) [noun]: mother mogen [verb]: to be allowed to mooi [adj]: nice, beautiful naar [pre]: to (direction) natuurlijk [adv]: Naturally nee [adv]: no neef (de) [noun]: cousin nemen [verb]: to take nicht (de) [noun]: niece, woman cousin niet [adv]: not noemen [verb]: to call nog [adv]: yet nu [adv]: now of [con]: or om [pre]: to, around, at (time) oma (de) [noun]: grandma onregelmatig [adj]: irregular ons [ppro]: us ook [adv]: also oom (de) [noun]: uncle op [pre]: on opa (de) [noun]: grandpa oud [adj]: old ouder (de) [noun]: parent overgrootouder (de) [noun]: great-grandparent papa (de) [noun]: dad partner (de) [noun]: partner pijn [adj]: pain puzzelen [verb]: puzzle regelmatig [adv]: regularly relatie (de) [noun]: relation school (de) [noun]: school schoonbroer (de) [noun]: brother-in-law schoondochter (de) [noun]: daughter-in-law schoonfamilie (de) [noun]: in-laws schoonouder (de) [noun]: parent-in-law schoonzoon (de) [noun]: son-in-law schoonzus (de) [noun]: sister-in-law sinds [adv]: since slapen [verb]: to sleep smart phone (de) [noun]: smartphone spreken [verb]: speak stamboom (de) [noun]: pedigree suiker (de) [noun]: sugar taart (de) [noun]: cake tante (de) [noun]: aunt te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much) tegenwoordig [adv]: nowadays thee (de) [noun]: tea tijd (de) [noun]: time toen [adv]: when, then trouwen [verb]: to marry twee [num]: two uur (het) [noun]: o’clock vaak [adv]: often vader (de) [noun]: father van [pre]: by, from, of vanavond [adv]: this evening vandaag [adv]: Today veel [num]: a lot of vergeten [verb]: forget verleden (het) [noun]: past verliefd [adj]: in love vervelend [adj]: annoying vinden [verb]: find vraag (de) [noun]: question mark vriend (de) [noun]: friend vriendin (de) [noun]: girlfriend vroeger [adv]: earlier, in the past vrouw (de) [noun]: woman waarom [pro]: Why wakker [adj]: awake wanneer [adv]: when want [con]: because wat [adv]: what we [ppro]: we wel [adv]: well, yes, indeed werkwoord (het) [noun]: verb wie [adv]: who wij [ppro]: We willen [verb]: to want, wish wonen [verb]: to live (in a house, city) worden [verb]: become ze [ppro]: she (single), they (plural) ziek [adj]: sick zien [verb]: to see zij [ppro]: she (single), they (plural) zijn [verb]: are zin (de) [noun]: sentence zoon (de) [noun]: son zullen [verb]: shall zus (de) [noun]: sister zwager (de) [noun]: brother-in-law -
Les 9 Het vervoer – woordenlijst
Les 9 Het vervoer – woordenlijst
aan [adj]: on afspraak (de) [noun]: appointment alle [num]: all ander [adj]: other arabisch [adj]: Arabic arm (de) [noun]: arm auto (de) [noun]: auto bank (de) [noun]: bank behalve [adv]: except bestuurder (de) [noun]: driver bij [adv]: bee blauw [adj]: blue blijven [verb]: to stay bloot [adj]: naked broek (de) [noun]: pair of trousers bus (de) [noun]: bus chipkaart (de) [noun]: chip card daar [adv]: there daarom [adv]: that’s why dan [adv]: than dat [pro]: that de [art]: the dictee (het) [noun]: dictation dit [pro]: this dokter (de) [noun]: doctor (medical) donkerrood [adj]: dark red door [pre]: Through dorst [adj]: thirst drinken [verb]: drinks druk [adv]: busy een [num]: An één [num]: one (1) eerst [num]: first elkaar [pro]: each other en [con]: and er [adv]: there fles (de) [noun]: bottle fruit (het) [noun]: fruit gaan [verb]: to go gebeuren [verb]: to happen geen [num]: no geld (het) [noun]: money goed [adv]: Good groen [adj]: green groente (de) [noun]: vegetables haar (het) [noun]: her hebben [verb]: to have hem [ppro]: him het [art]: It hij [ppro]: he hond (de) [noun]: dog hun [ppro]: their iets [pro]: something ik [ppro]: I in [pre]: in instappen [verb]: boarding jarig [adv]: birthday je [ppro]: you jij [ppro]: you kaartje (het) [noun]: card, ticket kapot [adv]: broken keuze (de) [noun]: choice kijken [verb]: to look koffie (de) [noun]: coffee komen [verb]: to come kopen [verb]: buy kruis (het) [noun]: cross kruisen [verb]: to cross (a street etc.) kruispunt (het) [noun]: intersection laat [adv]: late (in time) last (de) [noun]: burden, trouble, problem later [adv]: later lekker [adj]: tasty, nice (food, smell, feeling, weather) leren [verb]: to learn links [adj]: left los [adv]: loose maar [adv]: but maken [verb]: to make man (de) [noun]: man meisje (het) [noun]: girl melk (de) [noun]: milk mens (de) [noun]: person, human met [pre]: with midden (het) [noun]: middle moe [adj]: tired moeten [verb]: must mogen [verb]: to be allowed to motor (de) [noun]: engine naar [pre]: to (direction) naast [pre]: next to nederlands [adj]: Dutch niet [adv]: not nodig [adv]: necessary nog [adv]: yet nu [adv]: now oefenen [verb]: to practice of [con]: or oma (de) [noun]: grandma omdat [con]: because ook [adv]: also op [pre]: on ov-chipkaart (de) [noun]: public transport chip card over [pre]: about overstappen [verb]: change (transport) oversteken [verb]: cross over pak (het) [noun]: suit piloot (de) [noun]: pilot puzzel (de) [noun]: puzzle rechtdoor [adv]: straight ahead rechts [adv]: right rij (de) [noun]: row rijden [verb]: to ride samen [adv]: together schoon [adj]: clean slapen [verb]: to sleep spiegel (de) [noun]: mirror spreken [verb]: speak stappen [verb]: steps stoppen [verb]: to stop te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much) tegenstelling (de) [noun]: contrast, contradiction telefoon (de) [noun]: telephone thee (de) [noun]: tea thuis [adv]: At home tijd (de) [noun]: time toch [adv]: still, yet, anyway trein (de) [noun]: train turks [adj]: Turkish tussen [pre]: between twee [num]: two tweede [num]: second uit [pre]: out uitstappen [verb]: get out van [pre]: by, from, of vandaag [adv]: Today veel [num]: a lot of veilig [adv]: safe verder [adv]: further vergeten [verb]: forget verkeer (het) [noun]: traffic vertellen [verb]: narrate vies [adj]: dirty vinden [verb]: find visite (de) [noun]: visitors voegen [verb]: add voegwoord (het) [noun]: conjunction voetganger (de) [noun]: pedestrian voorrang (de) [noun]: priority vriend (de) [noun]: friend vrouw (de) [noun]: woman waarom [pro]: Why wachten [verb]: to wait wagon (de) [noun]: wagon want [con]: because warm [adj]: warm wassen [verb]: to wash water (het) [noun]: water we [ppro]: we weg (de) [noun]: road weinig [num]: few wel [adv]: well, yes, indeed werken [verb]: to work wie [adv]: who willen [verb]: to want, wish worden [verb]: become ze [ppro]: she (single), they (plural) zebra (de) [noun]: zebra zebrapad (het) [noun]: zebra crossing ziek [adj]: sick zij [ppro]: she (single), they (plural) zijn [verb]: are zin (de) [noun]: sentence zitten [verb]: to sit zomer (de) [noun]: summer zonnebril (de) [noun]: sunglasses
