Categorie: Bijlage

Extra pagina’s zoals woordenlijsten, uitspraaklessen op YouTube etc.

  • Les 9 Het vervoer – woordenlijst PDF

    Les 9 Het vervoer – woordenlijst PDF

    Overzicht woordenlijsten

  • Les 10 De vrije tijd – woordenlijst

    Les 10 De vrije tijd – woordenlijst

    Overzicht woordenlijsten

    afspraak (de) [noun]: appointment
    allebei [pro]: both
    als [adv]: as
    amsterdam [name]: Amsterdam
    antwoord (het) [noun]: answer
    auto (de) [noun]: auto
    bal (de) [noun]: ball
    best [adj]: best
    bibliotheek (de) [noun]: library
    bij [adv]: bee
    boek (het) [noun]: book
    boven [adj]: above
    brengen [verb]: to bring
    broer (de) [noun]: brother
    buurmeisje (het) [noun]: girl next door
    daar [adv]: there
    daarom [adv]: that’s why
    dansen [verb]: dancing
    dat [pro]: that
    de [art]: the
    dezelfde [adj]: same
    dicht [adj]: closed
    dictee (het) [noun]: dictation
    ding (het) [noun]: thing
    dit [pro]: this
    doen [verb]: doing
    door [pre]: Through
    drummen [verb]: drumming
    dus [con]: so
    een [num]: An
    elk [pro]: each
    elkaar [pro]: each other
    en [con]: and
    er [adv]: there
    fiets (de) [noun]: bicycle
    filippine (de) [noun]: Philippine
    fotograferen [verb]: photographing
    gaan [verb]: to go
    geel [adj]: yellow
    geen [num]: no
    geld (het) [noun]: money
    gevecht (het) [noun]: fight
    gitaar (de) [noun]: guitar
    goed [adv]: Good
    graag [adj]: please, happy
    haar (het) [noun]: her
    hebben [verb]: to have
    heel [adv]: all, complete, restored
    heen [adv]: to
    hem [ppro]: him
    het [art]: It
    hetzelfde [adj]: the same
    hiermee [adv]: with this
    hij [ppro]: he
    hobby (de) [noun]: hobby
    hoe [adv]: how
    hoeven [verb]: hooves
    horen [verb]: to hear
    houden [verb]: keep
    huis (het) [noun]: house
    hun [ppro]: their
    ik [ppro]: I
    in [pre]: in
    ja [adv]: Yes
    jaar (het) [noun]: year
    jasmijn (de) [noun]: jasmine
    je [ppro]: you
    jij [ppro]: you
    jongen (de) [noun]: boy
    jou [ppro]: to you
    jouw [ppro]: your
    kaarten [verb]: cards
    kind (het) [noun]: child
    kleden [verb]: to dress
    kleedkamer (de) [noun]: Dressing room
    komen [verb]: to come
    kopen [verb]: buy
    kunnen [verb]: be able to
    laat [adv]: late (in time)
    langs [pre]: by, along
    legpuzzel (de) [noun]: jigsaw puzzle
    lenen [verb]: to borrow
    les (de) [noun]: lesson
    leuk [adj]: nice
    lezen [verb]: read
    lopen [verb]: to walk
    maar [adv]: but
    maken [verb]: to make
    mee [adv]: along, together
    meisje (het) [noun]: girl
    met [pre]: with
    mijn [pro]: my, mine
    moe [adj]: tired
    moeten [verb]: must
    mooi [adj]: nice, beautiful
    muziekinstrument (het) [noun]: musical instrument
    naar [pre]: to (direction)
    nee [adv]: no
    negatief [adj]: negative
    nemen [verb]: to take
    net [adv]: just (in time), net (tennis, fishing)
    niet [adv]: not
    nog [adv]: yet
    of [con]: or
    om [pre]: to, around, at (time)
    omdat [con]: because
    onder [pre]: under
    ons [ppro]: us
    ook [adv]: also
    op [pre]: on
    oud [adj]: old
    over [pre]: about
    passen [verb]: to fit
    pen (de) [noun]: pen
    positief [adj]: positive
    puzzelen [verb]: puzzle
    racket (de) [noun]: racket
    rapport (het) [noun]: report
    rood [adj]: red
    samen [adv]: together
    schilderen [verb]: to paint
    school (de) [noun]: school
    schrijven [verb]: to write
    sla (de) [noun]: salad
    slaan [verb]: to hit
    slim [adv]: smart
    snaar (de) [noun]: string
    spel (het) [noun]: game
    spelen [verb]: to play
    sport (de) [noun]: sport
    sportclub (de) [noun]: sports club
    sporten [verb]: to play sports
    sportief [adj]: sporty
    strand (het) [noun]: beach
    te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much)
    tegen [pre]: against
    tekenen [verb]: to draw
    tekening (de) [noun]: drawing
    tekst (de) [noun]: text
    tennis (het) [noun]: tennis
    terug [adv]: return, back (direction)
    terwijl [con]: while
    thuis [adv]: At home
    timmeren [verb]: carpenting, wood work
    trainen [verb]: to train, to practice
    twee [num]: two
    vader (de) [noun]: father
    vakantie (de) [noun]: vacation
    van [pre]: by, from, of
    vanavond [adv]: this evening
    veel [num]: a lot of
    vinden [verb]: find
    voetbalclub (de) [noun]: football club
    voetbalkleren (de) [noun]: football clothes
    voorzetsel (het) [noun]: preposition
    vraag (de) [noun]: question mark
    vragen [verb]: to ask
    vriendin (de) [noun]: girlfriend
    vrij [adv]: free
    vroeg [adv]: early
    vullen [verb]: fill
    waar [adv]: true, where
    waarom [pro]: Why
    want [con]: because
    wat [adv]: what
    wedstrijd (de) [noun]: sports match
    week (de) [noun]: week
    weer [adv]: weather
    weg (de) [noun]: road
    wel [adv]: well, yes, indeed
    welke [adv]: which
    werken [verb]: to work
    weten [verb]: to know
    wie [adv]: who
    wij [ppro]: We
    willen [verb]: to want, wish
    winnaar (de) [noun]: winner
    winnen [verb]: win
    wonen [verb]: to live (in a house, city)
    ze [ppro]: she (single), they (plural)
    zee (de) [noun]: sea
    zeehond (de) [noun]: seal (sea dog)
    zich [pro]: himself
    zij [ppro]: she (single), they (plural)
    zijn [verb]: are
    zingen [verb]: singing
    zitten [verb]: to sit
    zomervakantie (de) [noun]: summer vacation
    zwemmen [verb]: swimming
  • Les 10 De vrije tijd – woordenlijst PDF

    Les 10 De vrije tijd – woordenlijst PDF

    Overzicht woordenlijsten

  • Alle woorden

    Woord, type en vertalingVind je in les …
    aan [adj]: on1, 2, 4, 5, 6, 9
    aanrecht (het) [noun]: kitchen counter1, 2
    aanwijzen [verb]: to assign, point at1, 2
    aardappel (de) [noun]: potato1, 2, 6
    aardbei (de) [noun]: strawberry1, 6
    acht [num]: eight1, 2, 3, 5
    achter [pre]: behind1, 4, 5
    achterkleinkind (het) [noun]: great-grandchild8
    achternaam (de) [noun]: surname1
    achterste [adj]: rear, last5
    af [pre]: off2
    afspraak (de) [noun]: appointment3, 4, 9, 10
    afspreken [verb]: to agree, appoint8
    agenda (de) [noun]: agenda3
    alle [num]: all7, 9
    allebei [pro]: both10
    allemaal [num]: all, every1
    allerliefste [adj]: most dearest8
    alles [num]: everything8
    als [adv]: as5, 10
    alstublieft [exp]: please8
    altijd [adv]: always2
    amsterdam [name]: Amsterdam10
    ananas (de) [noun]: pineapple1, 6
    ander [adj]: other9
    antwoord (het) [noun]: answer1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 10
    antwoorden [verb]: answers6
    apotheek (de) [noun]: pharmacy4
    appel (de) [noun]: apple1, 5, 6, 7
    april [name]: April3
    arabisch [adj]: Arabic9
    arm (de) [noun]: arm4, 9
    augustus [name]: August3
    auto (de) [noun]: auto4, 9, 10
    automaat (de) [noun]: automatic machine5
    avond (de) [noun]: evening1, 3
    azijn (de) [noun]: vinegar6
    baard (de) [noun]: beard1, 5
    baby (de) [noun]: baby4, 8
    bad (het) [noun]: bath1, 2
    badkamer (de) [noun]: bathroom2, 5
    bal (de) [noun]: ball10
    bamboe (de) [noun]: bamboo7
    banaan (de) [noun]: banana5, 6
    band (de) [noun]: band5
    bank (de) [noun]: bank1, 2, 3, 5, 9
    bankpas (de) [noun]: bank card5
    basilicum (de) [noun]: basil6
    bed (het) [noun]: bed1, 2, 4, 8
    been (het) [noun]: leg4, 7
    beer (de) [noun]: bear1, 6
    beetje [adv]: bit6
    beginnen [verb]: begin2, 3
    behalve [adv]: except9
    bellen [verb]: to call8
    beneden [adj]: downstairs2
    berg (de) [noun]: mountain6
    bes (de) [noun]: berry6
    best [adj]: best10
    bestek (het) [noun]: cutlery (spoon, knife, fork)6
    bestuurder (de) [noun]: driver9
    betaalautomaat (de) [noun]: payment terminal5
    betalen [verb]: pay5, 7
    beter [adv]: better4
    beterschap (de) [noun]: get well soon4
    bezem (de) [noun]: broom2, 4
    bezoek (het) [noun]: visit8
    bibliotheek (de) [noun]: library10
    bier (het) [noun]: beer6
    biet (de) [noun]: beet6
    big (de) [noun]: big6
    bij [adv]: bee5, 6, 8, 9, 10
    bil (de) [noun]: buttock1
    bitter [adj]: bitter6
    blauw [adj]: blue1, 2, 5, 6, 7, 9
    blij [adj]: pleased4, 7, 8
    blijven [verb]: to stay4, 8, 9
    bloeien [verb]: bloom3
    bloem (de) [noun]: flower3, 5
    bloemkool (de) [noun]: cauliflower6
    bloot [adj]: naked9
    blouse (de) [noun]: blouse7
    boek (het) [noun]: book1, 2, 5, 10
    boer (de) [noun]: farmer6
    boerderij (de) [noun]: farm6
    boerin (de) [noun]: woman farmer6
    boodschap (de) [noun]: errand5
    boom (de) [noun]: tree1, 3
    bord (het) [noun]: board1, 6
    borst (de) [noun]: chest7
    borstel (de) [noun]: brush4
    bos (het) [noun]: bunch5
    boter (de) [noun]: butter6
    boven [adj]: above2, 10
    braden [verb]: roast6
    brengen [verb]: to bring4, 10
    brief (de) [noun]: letter1
    broccoli (de) [noun]: broccoli5, 6
    broek (de) [noun]: pair of trousers7, 9
    broer (de) [noun]: brother8, 10
    brood (het) [noun]: bread1, 4
    broodje (het) [noun]: sandwich6
    bruin [adj]: brown2, 3, 6, 7
    buik (de) [noun]: belly4, 8
    buiten [adv]: outside2, 3
    bus (de) [noun]: bus1, 9
    buurmeisje (het) [noun]: girl next door10
    cadeau (het) [noun]: gift8
    cappucino (de) [noun]: cappuccino6
    centimeter (de) [noun]: centimeter7
    chip (de) [noun]: chip6
    chipkaart (de) [noun]: chip card9
    chocolademelk (de) [noun]: chocolate milk6
    cijfer (het) [noun]: number2
    citroen (de) [noun]: lemon6, 8
    cm (de) [noun]: cm (centimeter)7
    computer (de) [noun]: computer2
    courgette (de) [noun]: zucchini6
    daar [adv]: there2, 6, 8, 9, 10
    daarom [adv]: that’s why7, 9, 10
    dag (de) [noun]: day1, 3, 6, 8
    dagdeel (het) [noun]: part of the day3
    dagelijks [adv]: daily6
    dak (de) [noun]: roof2
    dame (de) [noun]: lady7
    dameskleding (de) [noun]: women’s clothing7
    dan [adv]: than5, 6, 8, 9
    dank (de) [noun]: thanks1, 4, 8
    dansen [verb]: dancing10
    dat [pro]: that2, 4, 7, 8, 9, 10
    datum (de) [noun]: date3
    de [art]: the1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
    december [name]: December3
    deken (de) [noun]: blanket2
    dekken [verb]: cover6, 7
    delen [verb]: to share5
    detail (het) [noun]: detail3
    deur (de) [noun]: door2
    deze [pro]: this / these2, 5, 6, 7, 8
    dezelfde [adj]: same10
    diagnose (de) [noun]: diagnosis4
    dicht [adj]: closed2, 10
    dictee (het) [noun]: dictation1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
    die [pro]: that / those2, 8
    dier (de) [noun]: animal6
    dik [adj]: thick1, 5, 6
    ding (het) [noun]: thing10
    dinsdag [name]: Tuesday3
    dit [pro]: this1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
    docent (de) [noun]: lecturer1, 2
    dochter (de) [noun]: daughter8
    doek (de) [noun]: cloth2
    doen [verb]: doing2, 4, 5, 6, 10
    dokter (de) [noun]: doctor (medical)4, 8, 9
    donderdag [name]: Thursday3, 6
    donker [adj]: dark2, 3
    donkere [adj]: dark1
    donkerrood [adj]: dark red9
    door [pre]: Through5, 6, 9, 10
    dorp (het) [noun]: village1
    dorst [adj]: thirst9
    douche (de) [noun]: shower2, 4
    draad (de) [noun]: wire1
    dragen [verb]: wear7
    drank (de) [noun]: drink6
    drie [num]: three1, 2, 3, 4, 5, 8
    drinken [verb]: drinks6, 9
    droog [adj]: dry2, 4
    druif (de) [noun]: grape4, 6
    druk [adv]: busy9
    drummen [verb]: drumming10
    duim (de) [noun]: thumb4
    duizend [num]: thousand5
    dun [adj]: thin1, 5
    dus [con]: so10
    duur [adj]: duration1, 5
    dweilen [verb]: mop2, 7
    echtgenoot (de) [noun]: husband, wife, marital partner8
    een [num]: An1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
    één [num]: one (1)1, 3, 8, 9
    ééntje [num]: a small one8
    eergisteren [adv]: the day before yesterday3
    eerst [num]: first9
    eerste [adj]: first5
    ei (het) [noun]: egg3, 6
    eiersalade (de) [noun]: egg salad6
    eigen [adj]: own8
    einde (het) [noun]: end1
    eindigen [verb]: end, finish2
    elf [num]: eleven3, 5
    elk [pro]: each10
    elkaar [pro]: each other6, 8, 9, 10
    emmer (de) [noun]: bucket2
    en [con]: and1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
    enkelvoud (het) [noun]: singular4, 5, 8
    er [adv]: there4, 6, 8, 9, 10
    eten [verb]: to eat1, 2, 3, 5, 6, 7, 8
    euro (de) [noun]: euro5
    even [adv]: even8
    evenveel [adv]: as much5
    familie (de) [noun]: family8
    februari [name]: February3, 7
    feest (het) [noun]: party1, 8
    feliciteren [verb]: congratulate8
    fiets (de) [noun]: bicycle10
    filippine (de) [noun]: Philippine4, 5, 6, 8, 10
    filippine-puzzel (de) [noun]: Philippine puzzle1
    fles (de) [noun]: bottle5, 6, 9
    fornuis (het) [noun]: oven2
    foto (de) [noun]: photo2
    fotograferen [verb]: photographing10
    frisdrank (de) [noun]: soft drink6
    fruit (het) [noun]: fruit5, 6, 9
    gaan [verb]: to go2, 3, 4, 5, 8, 9, 10
    gast (de) [noun]: guest8
    gebeuren [verb]: to happen9
    geboren [adv]: born1, 3
    geel [adj]: yellow1, 2, 3, 6, 7, 10
    geen [num]: no3, 4, 9, 10
    gehakt (het) [noun]: minced meat6
    geld (het) [noun]: money1, 5, 9, 10
    gelukkig [adv]: happy4
    generatie (de) [noun]: generation8
    genoeg [adv]: enough5
    gevecht (het) [noun]: fight10
    geven [verb]: give1, 4, 6
    gezicht (het) [noun]: sight4
    gezin (het) [noun]: small family / household8
    gezond [adj]: healthy4, 6
    gisteren [adv]: yesterday3, 7, 8
    gitaar (de) [noun]: guitar10
    glas (het) [noun]: glass6
    goed [adv]: Good3, 4, 8, 9, 10
    goededag [exp]: good day1
    goedemiddag [exp]: Good afternoon1, 4, 8
    goedemorgen [exp]: Good morning1, 2
    goedenavond [exp]: Good evening1
    goedkoop [adj]: cheap5
    gordijn (het) [noun]: curtain2, 4
    graad (de) [noun]: degree4
    graag [adj]: please, happy8, 10
    gram (de) [noun]: gram5
    grammatica (de) [noun]: grammar2, 3
    griep (de) [noun]: flu4
    grijs [adj]: gray7
    groen [adj]: green1, 2, 3, 5, 7, 9
    groente (de) [noun]: vegetables5, 6, 9
    groenteboer (de) [noun]: greengrocer6
    groeten [verb]: greetings1
    groot [adj]: big1, 5, 6, 7, 8
    grootmoeder (de) [noun]: grandmother8
    grootouder (de) [noun]: grandparent8
    grootvader (de) [noun]: grandfather8
    haan (de) [noun]: rooster1, 3, 6
    haar (het) [noun]: her4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
    haardroger (de) [noun]: hairdryer4
    haas (de) [noun]: hare4
    half [adj]: half3, 4, 5
    hallo [exp]: Hello8
    hand (de) [noun]: hand1, 4
    handdoek (de) [noun]: towel2, 4
    hangen [verb]: hang7
    hebben [verb]: to have2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
    heel [adv]: all, complete, restored7, 8, 10
    heen [adv]: to10
    hem [ppro]: him6, 8, 9, 10
    hemd (het) [noun]: shirt7
    hen (de) [noun]: them6
    hengst (de) [noun]: stallion6
    herfst (de) [noun]: autumn3
    het [art]: It1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
    heten [verb]: to be named3, 6, 8
    hetzelfde [adj]: the same10
    heup (de) [noun]: hip7
    hier [adv]: here2, 7
    hiermee [adv]: with this10
    hij [ppro]: he1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
    hobby (de) [noun]: hobby10
    hoe [adv]: how1, 3, 4, 6, 8, 10
    hoed (de) [noun]: hat7
    hoera [exp]: hurrah8
    hoesten [verb]: coughing4
    hoeveel [pro]: how many2, 6
    hoeven [verb]: hooves10
    hond (de) [noun]: dog1, 5, 8, 9
    honderd [num]: one hundred5
    honger [adj]: hunger6
    honing (de) [noun]: honey6, 8
    hoofd (het) [noun]: head4, 5
    hoofdletter (de) [noun]: capital letter2
    hoofdpijn (de) [noun]: headache4
    hoog [adj]: high4
    horen [verb]: to hear10
    houden [verb]: keep8, 10
    huid (de) [noun]: skin6
    huis (het) [noun]: house2, 4, 5, 8, 10
    huisbezoek (het) [noun]: home visit4
    huishouden (het) [noun]: households2
    huiskamer (de) [noun]: living room2
    hun [ppro]: their7, 8, 9, 10
    idee (het) [noun]: idea8
    iedereen [pro]: everyone8
    iets [pro]: something9
    ik [ppro]: I1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
    in [pre]: in1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
    instappen [verb]: boarding9
    internationaal [adj]: international7
    ja [adv]: Yes2, 3, 6, 7, 8, 10
    jaar (het) [noun]: year1, 3, 8, 10
    januari [name]: January3
    jarig [adv]: birthday8, 9
    jas (de) [noun]: coat5, 7
    jasmijn (de) [noun]: jasmine10
    je [ppro]: you1, 5, 6, 7, 8, 9, 10
    jij [ppro]: you1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
    jong [adj]: young5, 6
    jongen (de) [noun]: boy1, 2, 5, 10
    jou [ppro]: to you4, 8, 10
    jouw [ppro]: your4, 5, 7, 8, 10
    juf (de) [noun]: woman teacher1
    juli [name]: July3
    jullie [ppro]: plural youyour1, 3, 4, 5, 6, 7, 8
    juni [name]: June3
    jurk (de) [noun]: dress7
    kaarten [verb]: cards10
    kaartje (het) [noun]: card, ticket9
    kaas (de) [noun]: cheese6
    kalf (het) [noun]: calf6
    kam (de) [noun]: comb (for hair)4
    kamer (de) [noun]: room2, 4
    kammen [verb]: to comb (hair)4, 7
    kapot [adv]: broken4, 5, 7, 9
    kar (de) [noun]: cart6
    kassa (de) [noun]: cash register, money counter5
    kassabon (de) [noun]: cash receipt5
    kast (de) [noun]: cupboard1, 2, 4, 6
    katoen (de) [noun]: cotton7
    kebab (de) [noun]: kebab6
    keel (de) [noun]: throat1, 4, 8
    keelpijn (de) [noun]: a sore throat4
    keer (de) [noun]: time, times (one time, two times)5
    kennis (de) [noun]: knowledge1
    kers (de) [noun]: cherry1, 5, 6
    kerstmis (de) [noun]: Christmas3
    keuken (de) [noun]: kitchen2, 6
    keuze (de) [noun]: choice9
    kiespijn (de) [noun]: toothache4
    kijken [verb]: to look2, 3, 4, 5, 9
    kilo (de) [noun]: kilo5
    kin (de) [noun]: chin5
    kind (het) [noun]: child1, 3, 4, 5, 6, 8, 10
    kip (de) [noun]: chicken6
    kiwi (de) [noun]: kiwi6
    klaar [adv]: finished, ready6
    kleden [verb]: to dress10
    kledingmaat (de) [noun]: clothing size7
    kledingwinkel (de) [noun]: clothing store7
    kleed (het) [noun]: carpet, cloth, dress2
    kleedkamer (de) [noun]: Dressing room10
    klein [adj]: small2, 5, 6, 7
    kleindochter (de) [noun]: granddaughter8
    kleinkind (het) [noun]: grandchild8
    kleinzoon (de) [noun]: grandson8
    kleren (de) [noun]: clothes7
    kleur (de) [noun]: colour1, 5, 7
    klinker (de) [noun]: vowel1, 4
    klok (de) [noun]: clock2, 3
    knie (de) [noun]: knee4
    knippen [verb]: to cut4
    knoflook (de) [noun]: garlic6
    koe (de) [noun]: cow6
    koekje (het) [noun]: cookie8
    koelkast (de) [noun]: refrigerator2
    koffie (de) [noun]: coffee6, 8, 9
    koken [verb]: to cook2, 6, 7
    kom (de) [noun]: a bowl, to come1, 8
    komen [verb]: to come3, 4, 8, 9, 10
    komkommer (de) [noun]: cucumber6
    koorts (de) [noun]: fever4
    kopen [verb]: buy2, 5, 6, 7, 9, 10
    kopje (het) [noun]: little cup8
    koriander (de) [noun]: coriander6
    kort [adv]: short3, 7
    korte [adj]: short1
    kosten [verb]: costs5, 6
    koud [adj]: cold3
    kous (de) [noun]: stocking7
    kraaien [verb]: crows3
    kraan (de) [noun]: crane2
    krap [adj]: tight7
    krijgen [verb]: to get1, 5, 8
    kruis (het) [noun]: cross9
    kruisen [verb]: to cross (a street etc.)9
    kruispunt (het) [noun]: intersection9
    kuiken (het) [noun]: chickletyoung bird6
    kukelekuu [exp]: cock-a-doodle-doo3
    kunnen [verb]: be able to8, 10
    kus (de) [noun]: kiss1
    kussen (het) [noun]: to kiss2, 4, 5
    kwart [num]: quarter3
    kwartier (het) [noun]: quarter hour3
    laat [adv]: late (in time)3, 4, 9, 10
    lachen [verb]: laugh2, 5
    laken (het) [noun]: sheet2
    lam (het) [noun]: lamb3, 6
    lamp (de) [noun]: lamp2
    lang [adj]: long1, 3, 6, 7
    langs [pre]: by, along10
    last (de) [noun]: burden, trouble, problem4, 9
    later [adv]: later9
    leer (het) [noun]: leather6, 7
    leerling (de) [noun]: student4
    leggen [verb]: to lay3, 5, 6
    legpuzzel (de) [noun]: jigsaw puzzle10
    lekker [adj]: tasty, nice (food, smell, feeling, weather)5, 6, 8, 9
    lelijk [adj]: ugly5
    lenen [verb]: to borrow10
    lente (de) [noun]: spring3
    leren [verb]: to learn7, 9
    les (de) [noun]: lesson3, 4, 10
    letter (de) [noun]: character (a, b, c)2, 5
    lettergreep (de) [noun]: syllable5
    leuk [adj]: nice8, 10
    lezen [verb]: read1, 10
    lichaam (het) [noun]: body4
    licht [adj]: light2
    lief [adj]: sweet, nice (person)5
    liever [adv]: rather8
    liggen [verb]: to lie down2, 5, 8
    limonade (de) [noun]: lemonade8
    links [adj]: left1, 9
    linnen (het) [noun]: linen7
    lopen [verb]: to walk2, 5, 6, 10
    los [adv]: loose9
    lucht (de) [noun]: air2
    lusten [verb]: to like, find tasty (food)8
    maan (de) [noun]: Moon1, 3
    maand (de) [noun]: month3
    maandag [name]: Monday3, 7
    maar [adv]: but4, 5, 7, 8, 9, 10
    maart [name]: March3
    maat (de) [noun]: mate7
    magnetron (de) [noun]: microwave2
    maken [verb]: to make1, 2, 4, 5, 6, 7, 9, 10
    mama (de) [noun]: mom8
    man (de) [noun]: man1, 4, 5, 6, 8, 9
    me [ppro]: me4
    medicijn (de) [noun]: medicine4
    mee [adv]: along, together8, 10
    meenemen [verb]: take along8
    meer [adv]: more5
    meervoud (het) [noun]: plural4, 5, 8
    mei [name]: May3
    meisje (het) [noun]: girl1, 4, 5, 6, 8, 9, 10
    melk (de) [noun]: milk1, 6, 8, 9
    meloen (de) [noun]: melon6
    meneer (de) [noun]: sir1
    mens (de) [noun]: person, human1, 3, 4, 5, 6, 9
    menu (het) [noun]: menu6
    merrie (de) [noun]: mare6
    met [pre]: with1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
    meten [verb]: to measure4
    mevrouw (de) [noun]: Madam1, 8
    middag (de) [noun]: afternoon1, 3
    middelste [adj]: middle one5
    midden (het) [noun]: middle9
    mij [ppro]: me4, 6, 8
    mijn [pro]: my, mine1, 2, 3, 4, 5, 7, 8, 10
    mijzelf [adv]: myself2
    min [adv]: minus5
    minder [adv]: fewer5
    minuut (de) [noun]: minute3, 6
    moe [adj]: tired2, 9, 10
    moeder (de) [noun]: mother8
    moeten [verb]: must4, 6, 9, 10
    mogen [verb]: to be allowed to8, 9
    mond (de) [noun]: mouth4
    mooi [adj]: nice, beautiful5, 8, 10
    morgen (de) [noun]: tomorrow1, 3
    motor (de) [noun]: engine9
    muts (de) [noun]: hat1
    muur (de) [noun]: wall1, 2
    muziekinstrument (het) [noun]: musical instrument10
    naaien [verb]: sewing7
    naar [pre]: to (direction)2, 3, 4, 5, 8, 9, 10
    naast [pre]: next to1, 2, 5, 9
    nacht (de) [noun]: night1, 3
    nagel (de) [noun]: nail4
    nagelschaar (de) [noun]: nail scissors4
    nat [adj]: wet2, 4
    natuurlijk [adv]: Naturally8
    nederland [name]: The Netherlands1
    nederlands [adj]: Dutch1, 4, 9
    nee [adv]: no2, 3, 4, 5, 8, 10
    neef (de) [noun]: cousin8
    negatief [adj]: negative10
    negen [num]: nine1, 2, 3, 5
    nemen [verb]: to take8, 10
    net [adv]: just (in time), net (tennis, fishing)10
    neus (de) [noun]: nose4
    nicht (de) [noun]: niece, woman cousin8
    niet [adv]: not2, 4, 5, 7, 8, 9, 10
    nieuw [adj]: new3, 5, 7
    nodig [adv]: necessary9
    noemen [verb]: to call8
    nog [adv]: yet8, 9, 10
    normaal [adj]: normal4
    november [name]: November3
    nu [adv]: now4, 5, 7, 8, 9
    nul [num]: zero1, 2
    nylon (het) [noun]: nylon7
    ochtend [adv]: morning3
    oefenen [verb]: to practice9
    of [con]: or1, 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10
    oksel (de) [noun]: armpit4
    oktober [name]: October3
    olijfolie (de) [noun]: olive oil6
    om [pre]: to, around, at (time)2, 3, 4, 8, 10
    oma (de) [noun]: grandma8, 9
    omdat [con]: because9, 10
    onder [pre]: under1, 2, 3, 4, 10
    onderbroek (de) [noun]: underpants7
    onderwerp (het) [noun]: subject3
    onregelmatig [adj]: irregular8
    ons [ppro]: us4, 5, 6, 7, 8, 10
    oog (het) [noun]: eye4
    ooi (de) [noun]: ewe6
    ook [adv]: also2, 4, 5, 6, 8, 9, 10
    oom (de) [noun]: uncle8
    oor (het) [noun]: ear4
    op [pre]: on1, 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 10
    opa (de) [noun]: grandpa8
    open [adj]: Open2
    openingstijd (de) [noun]: opening time6
    oranje [adj]: orange7
    oud [adj]: old1, 5, 7, 8, 10
    ouder (de) [noun]: parent8
    ov-chipkaart (de) [noun]: public transport chip card9
    over [pre]: about3, 6, 9, 10
    overgeven [verb]: vomit, throw up (food)4
    overgrootouder (de) [noun]: great-grandparent8
    overhemd (het) [noun]: shirt7
    overmorgen [adv]: the day after tomorrow3
    overstappen [verb]: change (transport)9
    oversteken [verb]: cross over9
    paard (het) [noun]: horse6
    paardenstaart (de) [noun]: ponytail5
    paars [adj]: purple5
    pak (het) [noun]: suit7, 9
    pakken [verb]: to take6
    pan (de) [noun]: Pan2, 6
    pannekoek (de) [noun]: pancake6
    papa (de) [noun]: dad8
    paprika (de) [noun]: bell pepper6
    partner (de) [noun]: partner8
    passen [verb]: to fit7, 10
    patat (de) [noun]: chips6
    patiënt (de) [noun]: patient4
    pech (de) [noun]: bad luck2
    peer (de) [noun]: pear6
    pen (de) [noun]: pen1, 4, 5, 10
    peper (de) [noun]: pepper6
    per [adv]: per5
    pet (de) [noun]: cap5
    pijn [adj]: pain4, 8
    pil (de) [noun]: pill1
    piloot (de) [noun]: pilot9
    pinbon (de) [noun]: pin receipt5
    pincode (de) [noun]: PIN code5
    plant (de) [noun]: plant2
    plus [adv]: plus5
    poes (de) [noun]: woman cat, sweet cat1, 2, 4, 5
    polyester (de) [noun]: polyester7
    portemonnee (de) [noun]: wallet5
    positief [adj]: positive10
    praten [verb]: talk1
    precies [adv]: precisely3, 5, 7
    prei (de) [noun]: leek6
    prijs (de) [noun]: price5
    proeven [verb]: to taste, try food for taste6, 7
    punt (de) [noun]: point2
    puzzel (de) [noun]: puzzle3, 5, 6, 9
    puzzelen [verb]: puzzle8, 10
    raam (het) [noun]: window2
    racket (de) [noun]: racket10
    radio (de) [noun]: radio2
    ram (de) [noun]: Ram6
    rangtelwoord (het) [noun]: ordinal number5
    rapport (het) [noun]: report10
    recept (het) [noun]: recipe4
    rechtdoor [adv]: straight ahead9
    rechts [adv]: right9
    regel (de) [noun]: rule4
    regelmatig [adv]: regularly7, 8
    regenen [verb]: rain3
    relatie (de) [noun]: relation8
    restaurant (het) [noun]: restaurant6
    rij (de) [noun]: row5, 9
    rijden [verb]: to ride6, 9
    rijst (de) [noun]: rice2
    ring (de) [noun]: ring2
    rok (de) [noun]: skirt7
    rood [adj]: red1, 2, 6, 7, 10
    room (de) [noun]: cream6
    roze [adj]: pink7
    rozemarijn (de) [noun]: rosemary6
    rug (de) [noun]: back6
    rundvlees (het) [noun]: beef6
    ‘s avonds [adv]: in the evening3
    ‘s middags [adv]: in the afternoon3
    ‘s morgens [adv]: in the morning3
    ‘s nachts [adv]: at night3
    salade (de) [noun]: salad6, 7
    samen [adv]: together6, 9, 10
    saus (de) [noun]: sauce6
    schaap (het) [noun]: sheep6
    schaar (de) [noun]: pair of scissors4
    schap (het) [noun]: shelf in a shop5
    schenken [verb]: to poor in (drink)6
    schijnen [verb]: to shine3
    schil (de) [noun]: peel6
    schilderen [verb]: to paint10
    schilderij (het) [noun]: painting5
    schillen [verb]: peel (remove skin from fruit)6, 7
    schoen (de) [noun]: shoe4, 7
    schoenmaat (de) [noun]: shoe size7
    school (de) [noun]: school3, 8, 10
    schoon [adj]: clean2, 5, 7, 9
    schoonbroer (de) [noun]: brother-in-law8
    schoondochter (de) [noun]: daughter-in-law8
    schoonfamilie (de) [noun]: in-laws8
    schoonouder (de) [noun]: parent-in-law8
    schoonzoon (de) [noun]: son-in-law8
    schoonzus (de) [noun]: sister-in-law8
    schouder (de) [noun]: shoulder4
    schrift (het) [noun]: notebook5
    schrijven [verb]: to write1, 4, 10
    schrikken [verb]: to startle3
    seizoen (het) [noun]: season3
    september [name]: September3
    shampoo (de) [noun]: shampoo4, 5
    shirt (het) [noun]: shirt7
    sinaasappel (de) [noun]: orange (fruit)6
    sinds [adv]: since8
    sla (de) [noun]: salad6, 10
    slaan [verb]: to hit10
    slaapkamer (de) [noun]: bedroom2
    slager (de) [noun]: butcher6
    slakom (de) [noun]: salad bowl6
    slang (de) [noun]: snake2
    slapen [verb]: to sleep2, 3, 5, 8, 9
    slim [adv]: smart10
    smakelijk [adj]: tasty6
    smaken [verb]: flavors6
    smart phone (de) [noun]: smartphone8
    snaar (de) [noun]: string10
    sneeuwen [verb]: to snow3
    snel [adv]: fast4
    snijden [verb]: cutting6
    soep (de) [noun]: soup6
    spaghetti (de) [noun]: spaghetti6
    spel (het) [noun]: game10
    spelen [verb]: to play3, 10
    sperzieboon (de) [noun]: green beans6
    spiegel (de) [noun]: mirror2, 9
    spinazie (de) [noun]: spinach5, 6
    spons (de) [noun]: sponge2
    sport (de) [noun]: sport10
    sportclub (de) [noun]: sports club10
    sporten [verb]: to play sports10
    sportief [adj]: sporty10
    sportschoen (de) [noun]: sports shoe7
    spreken [verb]: speak8, 9
    spruit (de) [noun]: sprout6
    staan [verb]: to stand2, 4, 5, 6
    staart (de) [noun]: tail5
    stamboom (de) [noun]: pedigree8
    stappen [verb]: steps9
    ster (de) [noun]: star1, 3
    stier (de) [noun]: bull6
    stil [adv]: quiet, silent4
    stoel (de) [noun]: chair1, 2, 4, 5
    stof (de) [noun]: dust7
    stofzuiger (de) [noun]: vacuum cleaner2
    stoppen [verb]: to stop9
    stout [adj]: stout5
    strand (het) [noun]: beach3, 10
    student (de) [noun]: student1
    sturen [verb]: to steer2
    stuur (het) [noun]: steer (car, bicycle)1, 2
    suiker (de) [noun]: sugar6, 8
    supermarkt (de) [noun]: supermarket6
    syriër (de) [noun]: Syrian4
    taart (de) [noun]: cake8
    tachtig [num]: eighty5
    tafel (de) [noun]: table1, 2, 4, 5, 6, 7
    taille (de) [noun]: waist7
    tandenborstel (de) [noun]: toothbrush2
    tang (de) [noun]: pliers2
    tante (de) [noun]: aunt8
    tas (de) [noun]: bag1, 5
    te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much)4, 5, 7, 8, 9, 10
    teen (de) [noun]: toe4
    tegen [pre]: against6, 10
    tegenstelling (de) [noun]: contrast, contradiction2, 5, 9
    tegenwoordig [adv]: nowadays6, 7, 8
    tekenen [verb]: to draw10
    tekening (de) [noun]: drawing10
    tekst (de) [noun]: text10
    telefoon (de) [noun]: telephone9
    televisie (de) [noun]: television2, 3
    tellen [verb]: to count1, 2
    temperatuur (de) [noun]: temperature4
    tennis (het) [noun]: tennis10
    terug [adv]: return, back (direction)10
    terwijl [con]: while10
    thee (de) [noun]: tea6, 8, 9
    thermometer (de) [noun]: thermometer4
    thuis [adv]: At home4, 9, 10
    tien [num]: ten1, 2, 4, 5
    tijd (de) [noun]: time4, 6, 7, 8, 9
    timmeren [verb]: carpenting, wood work10
    toch [adv]: stillyet, anyway9
    toen [adv]: when, then8
    toets (de) [noun]: key on keyboard5
    toetsen [verb]: to key in on keyboard5
    tomaat (de) [noun]: tomato6
    tomatensaus (de) [noun]: tomato sauce6
    tong (de) [noun]: tongue2
    tot [pre]: to, until1
    trainen [verb]: to train, to practice10
    trein (de) [noun]: train9
    trek (de) [noun]: appetite6
    tros [num]: bunch5
    trouwen [verb]: to marry8
    trui (de) [noun]: sweater7
    tuin (de) [noun]: garden2
    tuinkruid (het) [noun]: garden herb6
    turks [adj]: Turkish9
    tussen [pre]: between1, 9
    twaalf [num]: twelve1, 2, 3, 5
    twee [num]: two1, 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 10
    tweede [num]: second9
    u [ppro]: you formal, respect1, 4
    ui (de) [noun]: onion2, 5, 6
    uit [pre]: out1, 2, 9
    uitstappen [verb]: get out9
    uur (het) [noun]: o’clock1, 2, 3, 8
    uw [ppro]: your formal, respect4, 7
    vaak [adv]: often8
    vader (de) [noun]: father8, 10
    vakantie (de) [noun]: vacation4, 10
    van [pre]: by, from, of1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
    vanavond [adv]: this evening8, 10
    vandaag [adv]: Today6, 7, 8, 9
    vanmiddag [adv]: this afternoon4
    varken (het) [noun]: pig6
    veel [num]: a lot of5, 8, 9, 10
    vegen [verb]: sweep2
    veilig [adv]: safe9
    verder [adv]: further9
    vergeten [verb]: forget8, 9
    verhoging (de) [noun]: elevation, low fever4
    verkeer (het) [noun]: traffic9
    verkopen [verb]: to sell7
    verkouden [adj]: cold. sick, running nose4
    verleden (het) [noun]: past7, 8
    verliefd [adj]: in love8
    vertellen [verb]: narrate9
    vervelend [adj]: annoying8
    vest (het) [noun]: vest5, 7
    veulen (het) [noun]: foal6
    vier [num]: four1, 2, 3, 4, 5
    vies [adj]: dirty2, 5, 7, 9
    vijf [num]: five1, 2, 3, 5
    vinden [verb]: find6, 8, 9, 10
    vinger (de) [noun]: finger4
    vis (de) [noun]: fish6
    visite (de) [noun]: visitors9
    vlees (het) [noun]: meat5, 6
    vloer (de) [noun]: floor2, 7
    voegen [verb]: add9
    voegwoord (het) [noun]: conjunction9
    voet (de) [noun]: foot4, 7
    voetbalclub (de) [noun]: football club10
    voetbalkleren (de) [noun]: football clothes10
    voetganger (de) [noun]: pedestrian9
    volgende [num]: next1, 3
    voltooien [verb]: to complete, finish6
    voor [pre]: for1, 3, 5, 6, 7
    voornaam (de) [noun]: first name1
    voorrang (de) [noun]: priority9
    voorste [adj]: front, first5
    voorzetsel (het) [noun]: preposition10
    vraag (de) [noun]: question mark1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 10
    vraagteken (het) [noun]: question mark2
    vragen [verb]: to ask1, 4, 6, 10
    vriend (de) [noun]: friend8, 9
    vriendin (de) [noun]: girlfriend8, 10
    vrij [adv]: free10
    vroeg [adv]: early10
    vroeger [adv]: earlier, in the past7, 8
    vrouw (de) [noun]: woman1, 4, 5, 6, 7, 8, 9
    vullen [verb]: fill4, 10
    vuur (het) [noun]: fire1
    waar [adv]: true, where1, 2, 4, 5, 6, 7, 10
    waarom [pro]: Why7, 8, 9, 10
    wachten [verb]: to wait9
    wagon (de) [noun]: wagon9
    wakker [adj]: awake2, 6, 8
    wanneer [adv]: when8
    want [con]: because5, 7, 8, 9, 10
    warm [adj]: warm2, 9
    washand (de) [noun]: washcloth2
    wassen [verb]: to wash2, 4, 7, 9
    wastafel (de) [noun]: washbasin2
    wat [adv]: what1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 10
    water (het) [noun]: water2, 4, 6, 9
    wc (de) [noun]: toilet2, 5
    we [ppro]: we6, 8, 9
    wedstrijd (de) [noun]: sports match10
    week (de) [noun]: week1, 3, 7, 10
    weer [adv]: weather4, 10
    weg (de) [noun]: road9, 10
    weinig [num]: few5, 9
    wekker (de) [noun]: alarm clock2
    wel [adv]: wellyes, indeed1, 4, 5, 8, 9, 10
    welke [adv]: which1, 2, 3, 5, 7, 10
    welterusten [exp]: Good night2
    werken [verb]: to work6, 9, 10
    werkwoord (het) [noun]: verb7, 8
    weten [verb]: to know4, 10
    wie [adv]: who1, 5, 6, 8, 9, 10
    wij [ppro]: We1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 10
    wijd [adj]: wide7
    willen [verb]: to want, wish5, 7, 8, 9, 10
    winkel (de) [noun]: shop5, 7
    winkelmand (de) [noun]: shopping basket5
    winkelwagen (de) [noun]: shopping cart5
    winnaar (de) [noun]: winner10
    winnen [verb]: win10
    wit [adj]: white1, 5, 6, 7
    witlof (de) [noun]: chicory, white salad6
    wol (de) [noun]: wool6, 7
    wonen [verb]: to live (in a house, city)2, 6, 8, 10
    worden [verb]: become2, 3, 8, 9
    worst (de) [noun]: sausage5, 6
    wortel (de) [noun]: root6
    yoghurt (de) [noun]: yogurt6
    zalm (de) [noun]: salmon6
    ze [ppro]: she (single), they (plural)6, 7, 8, 9, 10
    zebra (de) [noun]: zebra9
    zebrapad (het) [noun]: zebra crossing9
    zee (de) [noun]: sea10
    zeehond (de) [noun]: seal (sea dog)10
    zeep (de) [noun]: soap2, 4
    zeggen [verb]: to say2, 6
    zes [num]: six1, 2, 3, 5
    zetten [verb]: to put in place6
    zeug (de) [noun]: sow6
    zeven [num]: seven1, 2, 3, 5
    zich [pro]: himself10
    ziek [adj]: sick4, 8, 9
    zien [verb]: to see4, 8
    zij [ppro]: she (single), they (plural)1, 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
    zijde (de) [noun]: side (location), silk (fabric)7
    zijn [verb]: are1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
    zin (de) [noun]: sentence1, 2, 5, 7, 8, 9
    zingen [verb]: singing10
    zitten [verb]: to sit1, 2, 3, 4, 6, 9, 10
    zo [adv]: like this7
    zo’n [exp]: such a7
    zoeken [verb]: to search7
    zoet [adj]: sweet6
    zolder (de) [noun]: attic2
    zomer (de) [noun]: summer9
    zomervakantie (de) [noun]: summer vacation10
    zon (de) [noun]: sun1, 3
    zondag [name]: Sunday7
    zonnebril (de) [noun]: sunglasses9
    zoon (de) [noun]: son1, 8
    zorgen [verb]: to assure, to care for, worries6
    zout (het) [noun]: salty6
    zuigen [verb]: suck2
    zullen [verb]: shall4, 8
    zus (de) [noun]: sister8
    zuur [adj]: acid, sour (like vinegar)6
    zwabber (de) [noun]: mop for cleaning the floor2
    zwager (de) [noun]: brother-in-law8
    zwart [adj]: black1, 5, 6, 7
    zwemmen [verb]: swimming10