Woord, type en vertalingVind je in les …
aan [adj]: on1, 2, 4, 5, 6, 9
aanrecht (het) [noun]: kitchen counter1, 2
aanwijzen [verb]: to assign, point at1, 2
aardappel (de) [noun]: potato1, 2, 6
aardbei (de) [noun]: strawberry1, 6
acht [num]: eight1, 2, 3, 5
achter [pre]: behind1, 4, 5
achterkleinkind (het) [noun]: great-grandchild8
achternaam (de) [noun]: surname1
achterste [adj]: rear, last5
af [pre]: off2
afspraak (de) [noun]: appointment3, 4, 9, 10
afspreken [verb]: to agree, appoint8
agenda (de) [noun]: agenda3
alle [num]: all7, 9
allebei [pro]: both10
allemaal [num]: all, every1
allerliefste [adj]: most dearest8
alles [num]: everything8
als [adv]: as5, 10
alstublieft [exp]: please8
altijd [adv]: always2
amsterdam [name]: Amsterdam10
ananas (de) [noun]: pineapple1, 6
ander [adj]: other9
antwoord (het) [noun]: answer1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 10
antwoorden [verb]: answers6
apotheek (de) [noun]: pharmacy4
appel (de) [noun]: apple1, 5, 6, 7
april [name]: April3
arabisch [adj]: Arabic9
arm (de) [noun]: arm4, 9
augustus [name]: August3
auto (de) [noun]: auto4, 9, 10
automaat (de) [noun]: automatic machine5
avond (de) [noun]: evening1, 3
azijn (de) [noun]: vinegar6
baard (de) [noun]: beard1, 5
baby (de) [noun]: baby4, 8
bad (het) [noun]: bath1, 2
badkamer (de) [noun]: bathroom2, 5
bal (de) [noun]: ball10
bamboe (de) [noun]: bamboo7
banaan (de) [noun]: banana5, 6
band (de) [noun]: band5
bank (de) [noun]: bank1, 2, 3, 5, 9
bankpas (de) [noun]: bank card5
basilicum (de) [noun]: basil6
bed (het) [noun]: bed1, 2, 4, 8
been (het) [noun]: leg4, 7
beer (de) [noun]: bear1, 6
beetje [adv]: bit6
beginnen [verb]: begin2, 3
behalve [adv]: except9
bellen [verb]: to call8
beneden [adj]: downstairs2
berg (de) [noun]: mountain6
bes (de) [noun]: berry6
best [adj]: best10
bestek (het) [noun]: cutlery (spoon, knife, fork)6
bestuurder (de) [noun]: driver9
betaalautomaat (de) [noun]: payment terminal5
betalen [verb]: pay5, 7
beter [adv]: better4
beterschap (de) [noun]: get well soon4
bezem (de) [noun]: broom2, 4
bezoek (het) [noun]: visit8
bibliotheek (de) [noun]: library10
bier (het) [noun]: beer6
biet (de) [noun]: beet6
big (de) [noun]: big6
bij [adv]: bee5, 6, 8, 9, 10
bil (de) [noun]: buttock1
bitter [adj]: bitter6
blauw [adj]: blue1, 2, 5, 6, 7, 9
blij [adj]: pleased4, 7, 8
blijven [verb]: to stay4, 8, 9
bloeien [verb]: bloom3
bloem (de) [noun]: flower3, 5
bloemkool (de) [noun]: cauliflower6
bloot [adj]: naked9
blouse (de) [noun]: blouse7
boek (het) [noun]: book1, 2, 5, 10
boer (de) [noun]: farmer6
boerderij (de) [noun]: farm6
boerin (de) [noun]: woman farmer6
boodschap (de) [noun]: errand5
boom (de) [noun]: tree1, 3
bord (het) [noun]: board1, 6
borst (de) [noun]: chest7
borstel (de) [noun]: brush4
bos (het) [noun]: bunch5
boter (de) [noun]: butter6
boven [adj]: above2, 10
braden [verb]: roast6
brengen [verb]: to bring4, 10
brief (de) [noun]: letter1
broccoli (de) [noun]: broccoli5, 6
broek (de) [noun]: pair of trousers7, 9
broer (de) [noun]: brother8, 10
brood (het) [noun]: bread1, 4
broodje (het) [noun]: sandwich6
bruin [adj]: brown2, 3, 6, 7
buik (de) [noun]: belly4, 8
buiten [adv]: outside2, 3
bus (de) [noun]: bus1, 9
buurmeisje (het) [noun]: girl next door10
cadeau (het) [noun]: gift8
cappucino (de) [noun]: cappuccino6
centimeter (de) [noun]: centimeter7
chip (de) [noun]: chip6
chipkaart (de) [noun]: chip card9
chocolademelk (de) [noun]: chocolate milk6
cijfer (het) [noun]: number2
citroen (de) [noun]: lemon6, 8
cm (de) [noun]: cm (centimeter)7
computer (de) [noun]: computer2
courgette (de) [noun]: zucchini6
daar [adv]: there2, 6, 8, 9, 10
daarom [adv]: that’s why7, 9, 10
dag (de) [noun]: day1, 3, 6, 8
dagdeel (het) [noun]: part of the day3
dagelijks [adv]: daily6
dak (de) [noun]: roof2
dame (de) [noun]: lady7
dameskleding (de) [noun]: women’s clothing7
dan [adv]: than5, 6, 8, 9
dank (de) [noun]: thanks1, 4, 8
dansen [verb]: dancing10
dat [pro]: that2, 4, 7, 8, 9, 10
datum (de) [noun]: date3
de [art]: the1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
december [name]: December3
deken (de) [noun]: blanket2
dekken [verb]: cover6, 7
delen [verb]: to share5
detail (het) [noun]: detail3
deur (de) [noun]: door2
deze [pro]: this / these2, 5, 6, 7, 8
dezelfde [adj]: same10
diagnose (de) [noun]: diagnosis4
dicht [adj]: closed2, 10
dictee (het) [noun]: dictation1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
die [pro]: that / those2, 8
dier (de) [noun]: animal6
dik [adj]: thick1, 5, 6
ding (het) [noun]: thing10
dinsdag [name]: Tuesday3
dit [pro]: this1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
docent (de) [noun]: lecturer1, 2
dochter (de) [noun]: daughter8
doek (de) [noun]: cloth2
doen [verb]: doing2, 4, 5, 6, 10
dokter (de) [noun]: doctor (medical)4, 8, 9
donderdag [name]: Thursday3, 6
donker [adj]: dark2, 3
donkere [adj]: dark1
donkerrood [adj]: dark red9
door [pre]: Through5, 6, 9, 10
dorp (het) [noun]: village1
dorst [adj]: thirst9
douche (de) [noun]: shower2, 4
draad (de) [noun]: wire1
dragen [verb]: wear7
drank (de) [noun]: drink6
drie [num]: three1, 2, 3, 4, 5, 8
drinken [verb]: drinks6, 9
droog [adj]: dry2, 4
druif (de) [noun]: grape4, 6
druk [adv]: busy9
drummen [verb]: drumming10
duim (de) [noun]: thumb4
duizend [num]: thousand5
dun [adj]: thin1, 5
dus [con]: so10
duur [adj]: duration1, 5
dweilen [verb]: mop2, 7
echtgenoot (de) [noun]: husband, wife, marital partner8
een [num]: An1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
één [num]: one (1)1, 3, 8, 9
ééntje [num]: a small one8
eergisteren [adv]: the day before yesterday3
eerst [num]: first9
eerste [adj]: first5
ei (het) [noun]: egg3, 6
eiersalade (de) [noun]: egg salad6
eigen [adj]: own8
einde (het) [noun]: end1
eindigen [verb]: end, finish2
elf [num]: eleven3, 5
elk [pro]: each10
elkaar [pro]: each other6, 8, 9, 10
emmer (de) [noun]: bucket2
en [con]: and1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
enkelvoud (het) [noun]: singular4, 5, 8
er [adv]: there4, 6, 8, 9, 10
eten [verb]: to eat1, 2, 3, 5, 6, 7, 8
euro (de) [noun]: euro5
even [adv]: even8
evenveel [adv]: as much5
familie (de) [noun]: family8
februari [name]: February3, 7
feest (het) [noun]: party1, 8
feliciteren [verb]: congratulate8
fiets (de) [noun]: bicycle10
filippine (de) [noun]: Philippine4, 5, 6, 8, 10
filippine-puzzel (de) [noun]: Philippine puzzle1
fles (de) [noun]: bottle5, 6, 9
fornuis (het) [noun]: oven2
foto (de) [noun]: photo2
fotograferen [verb]: photographing10
frisdrank (de) [noun]: soft drink6
fruit (het) [noun]: fruit5, 6, 9
gaan [verb]: to go2, 3, 4, 5, 8, 9, 10
gast (de) [noun]: guest8
gebeuren [verb]: to happen9
geboren [adv]: born1, 3
geel [adj]: yellow1, 2, 3, 6, 7, 10
geen [num]: no3, 4, 9, 10
gehakt (het) [noun]: minced meat6
geld (het) [noun]: money1, 5, 9, 10
gelukkig [adv]: happy4
generatie (de) [noun]: generation8
genoeg [adv]: enough5
gevecht (het) [noun]: fight10
geven [verb]: give1, 4, 6
gezicht (het) [noun]: sight4
gezin (het) [noun]: small family / household8
gezond [adj]: healthy4, 6
gisteren [adv]: yesterday3, 7, 8
gitaar (de) [noun]: guitar10
glas (het) [noun]: glass6
goed [adv]: Good3, 4, 8, 9, 10
goededag [exp]: good day1
goedemiddag [exp]: Good afternoon1, 4, 8
goedemorgen [exp]: Good morning1, 2
goedenavond [exp]: Good evening1
goedkoop [adj]: cheap5
gordijn (het) [noun]: curtain2, 4
graad (de) [noun]: degree4
graag [adj]: please, happy8, 10
gram (de) [noun]: gram5
grammatica (de) [noun]: grammar2, 3
griep (de) [noun]: flu4
grijs [adj]: gray7
groen [adj]: green1, 2, 3, 5, 7, 9
groente (de) [noun]: vegetables5, 6, 9
groenteboer (de) [noun]: greengrocer6
groeten [verb]: greetings1
groot [adj]: big1, 5, 6, 7, 8
grootmoeder (de) [noun]: grandmother8
grootouder (de) [noun]: grandparent8
grootvader (de) [noun]: grandfather8
haan (de) [noun]: rooster1, 3, 6
haar (het) [noun]: her4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
haardroger (de) [noun]: hairdryer4
haas (de) [noun]: hare4
half [adj]: half3, 4, 5
hallo [exp]: Hello8
hand (de) [noun]: hand1, 4
handdoek (de) [noun]: towel2, 4
hangen [verb]: hang7
hebben [verb]: to have2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
heel [adv]: all, complete, restored7, 8, 10
heen [adv]: to10
hem [ppro]: him6, 8, 9, 10
hemd (het) [noun]: shirt7
hen (de) [noun]: them6
hengst (de) [noun]: stallion6
herfst (de) [noun]: autumn3
het [art]: It1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
heten [verb]: to be named3, 6, 8
hetzelfde [adj]: the same10
heup (de) [noun]: hip7
hier [adv]: here2, 7
hiermee [adv]: with this10
hij [ppro]: he1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
hobby (de) [noun]: hobby10
hoe [adv]: how1, 3, 4, 6, 8, 10
hoed (de) [noun]: hat7
hoera [exp]: hurrah8
hoesten [verb]: coughing4
hoeveel [pro]: how many2, 6
hoeven [verb]: hooves10
hond (de) [noun]: dog1, 5, 8, 9
honderd [num]: one hundred5
honger [adj]: hunger6
honing (de) [noun]: honey6, 8
hoofd (het) [noun]: head4, 5
hoofdletter (de) [noun]: capital letter2
hoofdpijn (de) [noun]: headache4
hoog [adj]: high4
horen [verb]: to hear10
houden [verb]: keep8, 10
huid (de) [noun]: skin6
huis (het) [noun]: house2, 4, 5, 8, 10
huisbezoek (het) [noun]: home visit4
huishouden (het) [noun]: households2
huiskamer (de) [noun]: living room2
hun [ppro]: their7, 8, 9, 10
idee (het) [noun]: idea8
iedereen [pro]: everyone8
iets [pro]: something9
ik [ppro]: I1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
in [pre]: in1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
instappen [verb]: boarding9
internationaal [adj]: international7
ja [adv]: Yes2, 3, 6, 7, 8, 10
jaar (het) [noun]: year1, 3, 8, 10
januari [name]: January3
jarig [adv]: birthday8, 9
jas (de) [noun]: coat5, 7
jasmijn (de) [noun]: jasmine10
je [ppro]: you1, 5, 6, 7, 8, 9, 10
jij [ppro]: you1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
jong [adj]: young5, 6
jongen (de) [noun]: boy1, 2, 5, 10
jou [ppro]: to you4, 8, 10
jouw [ppro]: your4, 5, 7, 8, 10
juf (de) [noun]: woman teacher1
juli [name]: July3
jullie [ppro]: plural youyour1, 3, 4, 5, 6, 7, 8
juni [name]: June3
jurk (de) [noun]: dress7
kaarten [verb]: cards10
kaartje (het) [noun]: card, ticket9
kaas (de) [noun]: cheese6
kalf (het) [noun]: calf6
kam (de) [noun]: comb (for hair)4
kamer (de) [noun]: room2, 4
kammen [verb]: to comb (hair)4, 7
kapot [adv]: broken4, 5, 7, 9
kar (de) [noun]: cart6
kassa (de) [noun]: cash register, money counter5
kassabon (de) [noun]: cash receipt5
kast (de) [noun]: cupboard1, 2, 4, 6
katoen (de) [noun]: cotton7
kebab (de) [noun]: kebab6
keel (de) [noun]: throat1, 4, 8
keelpijn (de) [noun]: a sore throat4
keer (de) [noun]: time, times (one time, two times)5
kennis (de) [noun]: knowledge1
kers (de) [noun]: cherry1, 5, 6
kerstmis (de) [noun]: Christmas3
keuken (de) [noun]: kitchen2, 6
keuze (de) [noun]: choice9
kiespijn (de) [noun]: toothache4
kijken [verb]: to look2, 3, 4, 5, 9
kilo (de) [noun]: kilo5
kin (de) [noun]: chin5
kind (het) [noun]: child1, 3, 4, 5, 6, 8, 10
kip (de) [noun]: chicken6
kiwi (de) [noun]: kiwi6
klaar [adv]: finished, ready6
kleden [verb]: to dress10
kledingmaat (de) [noun]: clothing size7
kledingwinkel (de) [noun]: clothing store7
kleed (het) [noun]: carpet, cloth, dress2
kleedkamer (de) [noun]: Dressing room10
klein [adj]: small2, 5, 6, 7
kleindochter (de) [noun]: granddaughter8
kleinkind (het) [noun]: grandchild8
kleinzoon (de) [noun]: grandson8
kleren (de) [noun]: clothes7
kleur (de) [noun]: colour1, 5, 7
klinker (de) [noun]: vowel1, 4
klok (de) [noun]: clock2, 3
knie (de) [noun]: knee4
knippen [verb]: to cut4
knoflook (de) [noun]: garlic6
koe (de) [noun]: cow6
koekje (het) [noun]: cookie8
koelkast (de) [noun]: refrigerator2
koffie (de) [noun]: coffee6, 8, 9
koken [verb]: to cook2, 6, 7
kom (de) [noun]: a bowl, to come1, 8
komen [verb]: to come3, 4, 8, 9, 10
komkommer (de) [noun]: cucumber6
koorts (de) [noun]: fever4
kopen [verb]: buy2, 5, 6, 7, 9, 10
kopje (het) [noun]: little cup8
koriander (de) [noun]: coriander6
kort [adv]: short3, 7
korte [adj]: short1
kosten [verb]: costs5, 6
koud [adj]: cold3
kous (de) [noun]: stocking7
kraaien [verb]: crows3
kraan (de) [noun]: crane2
krap [adj]: tight7
krijgen [verb]: to get1, 5, 8
kruis (het) [noun]: cross9
kruisen [verb]: to cross (a street etc.)9
kruispunt (het) [noun]: intersection9
kuiken (het) [noun]: chickletyoung bird6
kukelekuu [exp]: cock-a-doodle-doo3
kunnen [verb]: be able to8, 10
kus (de) [noun]: kiss1
kussen (het) [noun]: to kiss2, 4, 5
kwart [num]: quarter3
kwartier (het) [noun]: quarter hour3
laat [adv]: late (in time)3, 4, 9, 10
lachen [verb]: laugh2, 5
laken (het) [noun]: sheet2
lam (het) [noun]: lamb3, 6
lamp (de) [noun]: lamp2
lang [adj]: long1, 3, 6, 7
langs [pre]: by, along10
last (de) [noun]: burden, trouble, problem4, 9
later [adv]: later9
leer (het) [noun]: leather6, 7
leerling (de) [noun]: student4
leggen [verb]: to lay3, 5, 6
legpuzzel (de) [noun]: jigsaw puzzle10
lekker [adj]: tasty, nice (food, smell, feeling, weather)5, 6, 8, 9
lelijk [adj]: ugly5
lenen [verb]: to borrow10
lente (de) [noun]: spring3
leren [verb]: to learn7, 9
les (de) [noun]: lesson3, 4, 10
letter (de) [noun]: character (a, b, c)2, 5
lettergreep (de) [noun]: syllable5
leuk [adj]: nice8, 10
lezen [verb]: read1, 10
lichaam (het) [noun]: body4
licht [adj]: light2
lief [adj]: sweet, nice (person)5
liever [adv]: rather8
liggen [verb]: to lie down2, 5, 8
limonade (de) [noun]: lemonade8
links [adj]: left1, 9
linnen (het) [noun]: linen7
lopen [verb]: to walk2, 5, 6, 10
los [adv]: loose9
lucht (de) [noun]: air2
lusten [verb]: to like, find tasty (food)8
maan (de) [noun]: Moon1, 3
maand (de) [noun]: month3
maandag [name]: Monday3, 7
maar [adv]: but4, 5, 7, 8, 9, 10
maart [name]: March3
maat (de) [noun]: mate7
magnetron (de) [noun]: microwave2
maken [verb]: to make1, 2, 4, 5, 6, 7, 9, 10
mama (de) [noun]: mom8
man (de) [noun]: man1, 4, 5, 6, 8, 9
me [ppro]: me4
medicijn (de) [noun]: medicine4
mee [adv]: along, together8, 10
meenemen [verb]: take along8
meer [adv]: more5
meervoud (het) [noun]: plural4, 5, 8
mei [name]: May3
meisje (het) [noun]: girl1, 4, 5, 6, 8, 9, 10
melk (de) [noun]: milk1, 6, 8, 9
meloen (de) [noun]: melon6
meneer (de) [noun]: sir1
mens (de) [noun]: person, human1, 3, 4, 5, 6, 9
menu (het) [noun]: menu6
merrie (de) [noun]: mare6
met [pre]: with1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
meten [verb]: to measure4
mevrouw (de) [noun]: Madam1, 8
middag (de) [noun]: afternoon1, 3
middelste [adj]: middle one5
midden (het) [noun]: middle9
mij [ppro]: me4, 6, 8
mijn [pro]: my, mine1, 2, 3, 4, 5, 7, 8, 10
mijzelf [adv]: myself2
min [adv]: minus5
minder [adv]: fewer5
minuut (de) [noun]: minute3, 6
moe [adj]: tired2, 9, 10
moeder (de) [noun]: mother8
moeten [verb]: must4, 6, 9, 10
mogen [verb]: to be allowed to8, 9
mond (de) [noun]: mouth4
mooi [adj]: nice, beautiful5, 8, 10
morgen (de) [noun]: tomorrow1, 3
motor (de) [noun]: engine9
muts (de) [noun]: hat1
muur (de) [noun]: wall1, 2
muziekinstrument (het) [noun]: musical instrument10
naaien [verb]: sewing7
naar [pre]: to (direction)2, 3, 4, 5, 8, 9, 10
naast [pre]: next to1, 2, 5, 9
nacht (de) [noun]: night1, 3
nagel (de) [noun]: nail4
nagelschaar (de) [noun]: nail scissors4
nat [adj]: wet2, 4
natuurlijk [adv]: Naturally8
nederland [name]: The Netherlands1
nederlands [adj]: Dutch1, 4, 9
nee [adv]: no2, 3, 4, 5, 8, 10
neef (de) [noun]: cousin8
negatief [adj]: negative10
negen [num]: nine1, 2, 3, 5
nemen [verb]: to take8, 10
net [adv]: just (in time), net (tennis, fishing)10
neus (de) [noun]: nose4
nicht (de) [noun]: niece, woman cousin8
niet [adv]: not2, 4, 5, 7, 8, 9, 10
nieuw [adj]: new3, 5, 7
nodig [adv]: necessary9
noemen [verb]: to call8
nog [adv]: yet8, 9, 10
normaal [adj]: normal4
november [name]: November3
nu [adv]: now4, 5, 7, 8, 9
nul [num]: zero1, 2
nylon (het) [noun]: nylon7
ochtend [adv]: morning3
oefenen [verb]: to practice9
of [con]: or1, 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10
oksel (de) [noun]: armpit4
oktober [name]: October3
olijfolie (de) [noun]: olive oil6
om [pre]: to, around, at (time)2, 3, 4, 8, 10
oma (de) [noun]: grandma8, 9
omdat [con]: because9, 10
onder [pre]: under1, 2, 3, 4, 10
onderbroek (de) [noun]: underpants7
onderwerp (het) [noun]: subject3
onregelmatig [adj]: irregular8
ons [ppro]: us4, 5, 6, 7, 8, 10
oog (het) [noun]: eye4
ooi (de) [noun]: ewe6
ook [adv]: also2, 4, 5, 6, 8, 9, 10
oom (de) [noun]: uncle8
oor (het) [noun]: ear4
op [pre]: on1, 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 10
opa (de) [noun]: grandpa8
open [adj]: Open2
openingstijd (de) [noun]: opening time6
oranje [adj]: orange7
oud [adj]: old1, 5, 7, 8, 10
ouder (de) [noun]: parent8
ov-chipkaart (de) [noun]: public transport chip card9
over [pre]: about3, 6, 9, 10
overgeven [verb]: vomit, throw up (food)4
overgrootouder (de) [noun]: great-grandparent8
overhemd (het) [noun]: shirt7
overmorgen [adv]: the day after tomorrow3
overstappen [verb]: change (transport)9
oversteken [verb]: cross over9
paard (het) [noun]: horse6
paardenstaart (de) [noun]: ponytail5
paars [adj]: purple5
pak (het) [noun]: suit7, 9
pakken [verb]: to take6
pan (de) [noun]: Pan2, 6
pannekoek (de) [noun]: pancake6
papa (de) [noun]: dad8
paprika (de) [noun]: bell pepper6
partner (de) [noun]: partner8
passen [verb]: to fit7, 10
patat (de) [noun]: chips6
patiënt (de) [noun]: patient4
pech (de) [noun]: bad luck2
peer (de) [noun]: pear6
pen (de) [noun]: pen1, 4, 5, 10
peper (de) [noun]: pepper6
per [adv]: per5
pet (de) [noun]: cap5
pijn [adj]: pain4, 8
pil (de) [noun]: pill1
piloot (de) [noun]: pilot9
pinbon (de) [noun]: pin receipt5
pincode (de) [noun]: PIN code5
plant (de) [noun]: plant2
plus [adv]: plus5
poes (de) [noun]: woman cat, sweet cat1, 2, 4, 5
polyester (de) [noun]: polyester7
portemonnee (de) [noun]: wallet5
positief [adj]: positive10
praten [verb]: talk1
precies [adv]: precisely3, 5, 7
prei (de) [noun]: leek6
prijs (de) [noun]: price5
proeven [verb]: to taste, try food for taste6, 7
punt (de) [noun]: point2
puzzel (de) [noun]: puzzle3, 5, 6, 9
puzzelen [verb]: puzzle8, 10
raam (het) [noun]: window2
racket (de) [noun]: racket10
radio (de) [noun]: radio2
ram (de) [noun]: Ram6
rangtelwoord (het) [noun]: ordinal number5
rapport (het) [noun]: report10
recept (het) [noun]: recipe4
rechtdoor [adv]: straight ahead9
rechts [adv]: right9
regel (de) [noun]: rule4
regelmatig [adv]: regularly7, 8
regenen [verb]: rain3
relatie (de) [noun]: relation8
restaurant (het) [noun]: restaurant6
rij (de) [noun]: row5, 9
rijden [verb]: to ride6, 9
rijst (de) [noun]: rice2
ring (de) [noun]: ring2
rok (de) [noun]: skirt7
rood [adj]: red1, 2, 6, 7, 10
room (de) [noun]: cream6
roze [adj]: pink7
rozemarijn (de) [noun]: rosemary6
rug (de) [noun]: back6
rundvlees (het) [noun]: beef6
‘s avonds [adv]: in the evening3
‘s middags [adv]: in the afternoon3
‘s morgens [adv]: in the morning3
‘s nachts [adv]: at night3
salade (de) [noun]: salad6, 7
samen [adv]: together6, 9, 10
saus (de) [noun]: sauce6
schaap (het) [noun]: sheep6
schaar (de) [noun]: pair of scissors4
schap (het) [noun]: shelf in a shop5
schenken [verb]: to poor in (drink)6
schijnen [verb]: to shine3
schil (de) [noun]: peel6
schilderen [verb]: to paint10
schilderij (het) [noun]: painting5
schillen [verb]: peel (remove skin from fruit)6, 7
schoen (de) [noun]: shoe4, 7
schoenmaat (de) [noun]: shoe size7
school (de) [noun]: school3, 8, 10
schoon [adj]: clean2, 5, 7, 9
schoonbroer (de) [noun]: brother-in-law8
schoondochter (de) [noun]: daughter-in-law8
schoonfamilie (de) [noun]: in-laws8
schoonouder (de) [noun]: parent-in-law8
schoonzoon (de) [noun]: son-in-law8
schoonzus (de) [noun]: sister-in-law8
schouder (de) [noun]: shoulder4
schrift (het) [noun]: notebook5
schrijven [verb]: to write1, 4, 10
schrikken [verb]: to startle3
seizoen (het) [noun]: season3
september [name]: September3
shampoo (de) [noun]: shampoo4, 5
shirt (het) [noun]: shirt7
sinaasappel (de) [noun]: orange (fruit)6
sinds [adv]: since8
sla (de) [noun]: salad6, 10
slaan [verb]: to hit10
slaapkamer (de) [noun]: bedroom2
slager (de) [noun]: butcher6
slakom (de) [noun]: salad bowl6
slang (de) [noun]: snake2
slapen [verb]: to sleep2, 3, 5, 8, 9
slim [adv]: smart10
smakelijk [adj]: tasty6
smaken [verb]: flavors6
smart phone (de) [noun]: smartphone8
snaar (de) [noun]: string10
sneeuwen [verb]: to snow3
snel [adv]: fast4
snijden [verb]: cutting6
soep (de) [noun]: soup6
spaghetti (de) [noun]: spaghetti6
spel (het) [noun]: game10
spelen [verb]: to play3, 10
sperzieboon (de) [noun]: green beans6
spiegel (de) [noun]: mirror2, 9
spinazie (de) [noun]: spinach5, 6
spons (de) [noun]: sponge2
sport (de) [noun]: sport10
sportclub (de) [noun]: sports club10
sporten [verb]: to play sports10
sportief [adj]: sporty10
sportschoen (de) [noun]: sports shoe7
spreken [verb]: speak8, 9
spruit (de) [noun]: sprout6
staan [verb]: to stand2, 4, 5, 6
staart (de) [noun]: tail5
stamboom (de) [noun]: pedigree8
stappen [verb]: steps9
ster (de) [noun]: star1, 3
stier (de) [noun]: bull6
stil [adv]: quiet, silent4
stoel (de) [noun]: chair1, 2, 4, 5
stof (de) [noun]: dust7
stofzuiger (de) [noun]: vacuum cleaner2
stoppen [verb]: to stop9
stout [adj]: stout5
strand (het) [noun]: beach3, 10
student (de) [noun]: student1
sturen [verb]: to steer2
stuur (het) [noun]: steer (car, bicycle)1, 2
suiker (de) [noun]: sugar6, 8
supermarkt (de) [noun]: supermarket6
syriër (de) [noun]: Syrian4
taart (de) [noun]: cake8
tachtig [num]: eighty5
tafel (de) [noun]: table1, 2, 4, 5, 6, 7
taille (de) [noun]: waist7
tandenborstel (de) [noun]: toothbrush2
tang (de) [noun]: pliers2
tante (de) [noun]: aunt8
tas (de) [noun]: bag1, 5
te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much)4, 5, 7, 8, 9, 10
teen (de) [noun]: toe4
tegen [pre]: against6, 10
tegenstelling (de) [noun]: contrast, contradiction2, 5, 9
tegenwoordig [adv]: nowadays6, 7, 8
tekenen [verb]: to draw10
tekening (de) [noun]: drawing10
tekst (de) [noun]: text10
telefoon (de) [noun]: telephone9
televisie (de) [noun]: television2, 3
tellen [verb]: to count1, 2
temperatuur (de) [noun]: temperature4
tennis (het) [noun]: tennis10
terug [adv]: return, back (direction)10
terwijl [con]: while10
thee (de) [noun]: tea6, 8, 9
thermometer (de) [noun]: thermometer4
thuis [adv]: At home4, 9, 10
tien [num]: ten1, 2, 4, 5
tijd (de) [noun]: time4, 6, 7, 8, 9
timmeren [verb]: carpenting, wood work10
toch [adv]: stillyet, anyway9
toen [adv]: when, then8
toets (de) [noun]: key on keyboard5
toetsen [verb]: to key in on keyboard5
tomaat (de) [noun]: tomato6
tomatensaus (de) [noun]: tomato sauce6
tong (de) [noun]: tongue2
tot [pre]: to, until1
trainen [verb]: to train, to practice10
trein (de) [noun]: train9
trek (de) [noun]: appetite6
tros [num]: bunch5
trouwen [verb]: to marry8
trui (de) [noun]: sweater7
tuin (de) [noun]: garden2
tuinkruid (het) [noun]: garden herb6
turks [adj]: Turkish9
tussen [pre]: between1, 9
twaalf [num]: twelve1, 2, 3, 5
twee [num]: two1, 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 10
tweede [num]: second9
u [ppro]: you formal, respect1, 4
ui (de) [noun]: onion2, 5, 6
uit [pre]: out1, 2, 9
uitstappen [verb]: get out9
uur (het) [noun]: o’clock1, 2, 3, 8
uw [ppro]: your formal, respect4, 7
vaak [adv]: often8
vader (de) [noun]: father8, 10
vakantie (de) [noun]: vacation4, 10
van [pre]: by, from, of1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
vanavond [adv]: this evening8, 10
vandaag [adv]: Today6, 7, 8, 9
vanmiddag [adv]: this afternoon4
varken (het) [noun]: pig6
veel [num]: a lot of5, 8, 9, 10
vegen [verb]: sweep2
veilig [adv]: safe9
verder [adv]: further9
vergeten [verb]: forget8, 9
verhoging (de) [noun]: elevation, low fever4
verkeer (het) [noun]: traffic9
verkopen [verb]: to sell7
verkouden [adj]: cold. sick, running nose4
verleden (het) [noun]: past7, 8
verliefd [adj]: in love8
vertellen [verb]: narrate9
vervelend [adj]: annoying8
vest (het) [noun]: vest5, 7
veulen (het) [noun]: foal6
vier [num]: four1, 2, 3, 4, 5
vies [adj]: dirty2, 5, 7, 9
vijf [num]: five1, 2, 3, 5
vinden [verb]: find6, 8, 9, 10
vinger (de) [noun]: finger4
vis (de) [noun]: fish6
visite (de) [noun]: visitors9
vlees (het) [noun]: meat5, 6
vloer (de) [noun]: floor2, 7
voegen [verb]: add9
voegwoord (het) [noun]: conjunction9
voet (de) [noun]: foot4, 7
voetbalclub (de) [noun]: football club10
voetbalkleren (de) [noun]: football clothes10
voetganger (de) [noun]: pedestrian9
volgende [num]: next1, 3
voltooien [verb]: to complete, finish6
voor [pre]: for1, 3, 5, 6, 7
voornaam (de) [noun]: first name1
voorrang (de) [noun]: priority9
voorste [adj]: front, first5
voorzetsel (het) [noun]: preposition10
vraag (de) [noun]: question mark1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 10
vraagteken (het) [noun]: question mark2
vragen [verb]: to ask1, 4, 6, 10
vriend (de) [noun]: friend8, 9
vriendin (de) [noun]: girlfriend8, 10
vrij [adv]: free10
vroeg [adv]: early10
vroeger [adv]: earlier, in the past7, 8
vrouw (de) [noun]: woman1, 4, 5, 6, 7, 8, 9
vullen [verb]: fill4, 10
vuur (het) [noun]: fire1
waar [adv]: true, where1, 2, 4, 5, 6, 7, 10
waarom [pro]: Why7, 8, 9, 10
wachten [verb]: to wait9
wagon (de) [noun]: wagon9
wakker [adj]: awake2, 6, 8
wanneer [adv]: when8
want [con]: because5, 7, 8, 9, 10
warm [adj]: warm2, 9
washand (de) [noun]: washcloth2
wassen [verb]: to wash2, 4, 7, 9
wastafel (de) [noun]: washbasin2
wat [adv]: what1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 10
water (het) [noun]: water2, 4, 6, 9
wc (de) [noun]: toilet2, 5
we [ppro]: we6, 8, 9
wedstrijd (de) [noun]: sports match10
week (de) [noun]: week1, 3, 7, 10
weer [adv]: weather4, 10
weg (de) [noun]: road9, 10
weinig [num]: few5, 9
wekker (de) [noun]: alarm clock2
wel [adv]: wellyes, indeed1, 4, 5, 8, 9, 10
welke [adv]: which1, 2, 3, 5, 7, 10
welterusten [exp]: Good night2
werken [verb]: to work6, 9, 10
werkwoord (het) [noun]: verb7, 8
weten [verb]: to know4, 10
wie [adv]: who1, 5, 6, 8, 9, 10
wij [ppro]: We1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 10
wijd [adj]: wide7
willen [verb]: to want, wish5, 7, 8, 9, 10
winkel (de) [noun]: shop5, 7
winkelmand (de) [noun]: shopping basket5
winkelwagen (de) [noun]: shopping cart5
winnaar (de) [noun]: winner10
winnen [verb]: win10
wit [adj]: white1, 5, 6, 7
witlof (de) [noun]: chicory, white salad6
wol (de) [noun]: wool6, 7
wonen [verb]: to live (in a house, city)2, 6, 8, 10
worden [verb]: become2, 3, 8, 9
worst (de) [noun]: sausage5, 6
wortel (de) [noun]: root6
yoghurt (de) [noun]: yogurt6
zalm (de) [noun]: salmon6
ze [ppro]: she (single), they (plural)6, 7, 8, 9, 10
zebra (de) [noun]: zebra9
zebrapad (het) [noun]: zebra crossing9
zee (de) [noun]: sea10
zeehond (de) [noun]: seal (sea dog)10
zeep (de) [noun]: soap2, 4
zeggen [verb]: to say2, 6
zes [num]: six1, 2, 3, 5
zetten [verb]: to put in place6
zeug (de) [noun]: sow6
zeven [num]: seven1, 2, 3, 5
zich [pro]: himself10
ziek [adj]: sick4, 8, 9
zien [verb]: to see4, 8
zij [ppro]: she (single), they (plural)1, 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
zijde (de) [noun]: side (location), silk (fabric)7
zijn [verb]: are1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
zin (de) [noun]: sentence1, 2, 5, 7, 8, 9
zingen [verb]: singing10
zitten [verb]: to sit1, 2, 3, 4, 6, 9, 10
zo [adv]: like this7
zo’n [exp]: such a7
zoeken [verb]: to search7
zoet [adj]: sweet6
zolder (de) [noun]: attic2
zomer (de) [noun]: summer9
zomervakantie (de) [noun]: summer vacation10
zon (de) [noun]: sun1, 3
zondag [name]: Sunday7
zonnebril (de) [noun]: sunglasses9
zoon (de) [noun]: son1, 8
zorgen [verb]: to assure, to care for, worries6
zout (het) [noun]: salty6
zuigen [verb]: suck2
zullen [verb]: shall4, 8
zus (de) [noun]: sister8
zuur [adj]: acid, sour (like vinegar)6
zwabber (de) [noun]: mop for cleaning the floor2
zwager (de) [noun]: brother-in-law8
zwart [adj]: black1, 5, 6, 7
zwemmen [verb]: swimming10