Les 10 De vrije tijd – woordenlijst

Overzicht woordenlijsten

afspraak (de) [noun]: appointment
allebei [pro]: both
als [adv]: as
amsterdam [name]: Amsterdam
antwoord (het) [noun]: answer
auto (de) [noun]: auto
bal (de) [noun]: ball
best [adj]: best
bibliotheek (de) [noun]: library
bij [adv]: bee
boek (het) [noun]: book
boven [adj]: above
brengen [verb]: to bring
broer (de) [noun]: brother
buurmeisje (het) [noun]: girl next door
daar [adv]: there
daarom [adv]: that’s why
dansen [verb]: dancing
dat [pro]: that
de [art]: the
dezelfde [adj]: same
dicht [adj]: closed
dictee (het) [noun]: dictation
ding (het) [noun]: thing
dit [pro]: this
doen [verb]: doing
door [pre]: Through
drummen [verb]: drumming
dus [con]: so
een [num]: An
elk [pro]: each
elkaar [pro]: each other
en [con]: and
er [adv]: there
fiets (de) [noun]: bicycle
filippine (de) [noun]: Philippine
fotograferen [verb]: photographing
gaan [verb]: to go
geel [adj]: yellow
geen [num]: no
geld (het) [noun]: money
gevecht (het) [noun]: fight
gitaar (de) [noun]: guitar
goed [adv]: Good
graag [adj]: please, happy
haar (het) [noun]: her
hebben [verb]: to have
heel [adv]: all, complete, restored
heen [adv]: to
hem [ppro]: him
het [art]: It
hetzelfde [adj]: the same
hiermee [adv]: with this
hij [ppro]: he
hobby (de) [noun]: hobby
hoe [adv]: how
hoeven [verb]: hooves
horen [verb]: to hear
houden [verb]: keep
huis (het) [noun]: house
hun [ppro]: their
ik [ppro]: I
in [pre]: in
ja [adv]: Yes
jaar (het) [noun]: year
jasmijn (de) [noun]: jasmine
je [ppro]: you
jij [ppro]: you
jongen (de) [noun]: boy
jou [ppro]: to you
jouw [ppro]: your
kaarten [verb]: cards
kind (het) [noun]: child
kleden [verb]: to dress
kleedkamer (de) [noun]: Dressing room
komen [verb]: to come
kopen [verb]: buy
kunnen [verb]: be able to
laat [adv]: late (in time)
langs [pre]: by, along
legpuzzel (de) [noun]: jigsaw puzzle
lenen [verb]: to borrow
les (de) [noun]: lesson
leuk [adj]: nice
lezen [verb]: read
lopen [verb]: to walk
maar [adv]: but
maken [verb]: to make
mee [adv]: along, together
meisje (het) [noun]: girl
met [pre]: with
mijn [pro]: my, mine
moe [adj]: tired
moeten [verb]: must
mooi [adj]: nice, beautiful
muziekinstrument (het) [noun]: musical instrument
naar [pre]: to (direction)
nee [adv]: no
negatief [adj]: negative
nemen [verb]: to take
net [adv]: just (in time), net (tennis, fishing)
niet [adv]: not
nog [adv]: yet
of [con]: or
om [pre]: to, around, at (time)
omdat [con]: because
onder [pre]: under
ons [ppro]: us
ook [adv]: also
op [pre]: on
oud [adj]: old
over [pre]: about
passen [verb]: to fit
pen (de) [noun]: pen
positief [adj]: positive
puzzelen [verb]: puzzle
racket (de) [noun]: racket
rapport (het) [noun]: report
rood [adj]: red
samen [adv]: together
schilderen [verb]: to paint
school (de) [noun]: school
schrijven [verb]: to write
sla (de) [noun]: salad
slaan [verb]: to hit
slim [adv]: smart
snaar (de) [noun]: string
spel (het) [noun]: game
spelen [verb]: to play
sport (de) [noun]: sport
sportclub (de) [noun]: sports club
sporten [verb]: to play sports
sportief [adj]: sporty
strand (het) [noun]: beach
te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much)
tegen [pre]: against
tekenen [verb]: to draw
tekening (de) [noun]: drawing
tekst (de) [noun]: text
tennis (het) [noun]: tennis
terug [adv]: return, back (direction)
terwijl [con]: while
thuis [adv]: At home
timmeren [verb]: carpenting, wood work
trainen [verb]: to train, to practice
twee [num]: two
vader (de) [noun]: father
vakantie (de) [noun]: vacation
van [pre]: by, from, of
vanavond [adv]: this evening
veel [num]: a lot of
vinden [verb]: find
voetbalclub (de) [noun]: football club
voetbalkleren (de) [noun]: football clothes
voorzetsel (het) [noun]: preposition
vraag (de) [noun]: question mark
vragen [verb]: to ask
vriendin (de) [noun]: girlfriend
vrij [adv]: free
vroeg [adv]: early
vullen [verb]: fill
waar [adv]: true, where
waarom [pro]: Why
want [con]: because
wat [adv]: what
wedstrijd (de) [noun]: sports match
week (de) [noun]: week
weer [adv]: weather
weg (de) [noun]: road
wel [adv]: well, yes, indeed
welke [adv]: which
werken [verb]: to work
weten [verb]: to know
wie [adv]: who
wij [ppro]: We
willen [verb]: to want, wish
winnaar (de) [noun]: winner
winnen [verb]: win
wonen [verb]: to live (in a house, city)
ze [ppro]: she (single), they (plural)
zee (de) [noun]: sea
zeehond (de) [noun]: seal (sea dog)
zich [pro]: himself
zij [ppro]: she (single), they (plural)
zijn [verb]: are
zingen [verb]: singing
zitten [verb]: to sit
zomervakantie (de) [noun]: summer vacation
zwemmen [verb]: swimming