Les 3 De tijd – woordenlijst

Overzicht woordenlijsten

acht [num]: eight
afspraak (de) [noun]: appointment
agenda (de) [noun]: agenda
antwoord (het) [noun]: answer
april [name]: April
augustus [name]: August
avond (de) [noun]: evening
bank (de) [noun]: bank
beginnen [verb]: begin
bloeien [verb]: bloom
bloem (de) [noun]: flower
boom (de) [noun]: tree
bruin [adj]: brown
buiten [adv]: outside
dag (de) [noun]: day
dagdeel (het) [noun]: part of the day
datum (de) [noun]: date
de [art]: the
december [name]: December
detail (het) [noun]: detail
dictee (het) [noun]: dictation
dinsdag [name]: Tuesday
dit [pro]: this
donderdag [name]: Thursday
donker [adj]: dark
drie [num]: three
een [num]: An
één [num]: one (1)
eergisteren [adv]: the day before yesterday
ei (het) [noun]: egg
elf [num]: eleven
en [con]: and
eten [verb]: to eat
februari [name]: February
gaan [verb]: to go
geboren [adv]: born
geel [adj]: yellow
geen [num]: no
gisteren [adv]: yesterday
goed [adv]: Good
grammatica (de) [noun]: grammar
groen [adj]: green
haan (de) [noun]: rooster
half [adj]: half
hebben [verb]: to have
herfst (de) [noun]: autumn
het [art]: It
heten [verb]: to be named
hij [ppro]: he
hoe [adv]: how
ik [ppro]: I
in [pre]: in
ja [adv]: Yes
jaar (het) [noun]: year
januari [name]: January
jij [ppro]: you
juli [name]: July
jullie [ppro]: plural you, your
juni [name]: June
kerstmis (de) [noun]: Christmas
kijken [verb]: to look
kind (het) [noun]: child
klok (de) [noun]: clock
komen [verb]: to come
kort [adv]: short
koud [adj]: cold
kraaien [verb]: crows
kukelekuu [exp]: cock-a-doodle-doo
kwart [num]: quarter
kwartier (het) [noun]: quarter hour
laat [adv]: late (in time)
lam (het) [noun]: lamb
lang [adj]: long
leggen [verb]: to lay
lente (de) [noun]: spring
les (de) [noun]: lesson
maan (de) [noun]: Moon
maand (de) [noun]: month
maandag [name]: Monday
maart [name]: March
mei [name]: May
mens (de) [noun]: person, human
met [pre]: with
middag (de) [noun]: afternoon
mijn [pro]: my, mine
minuut (de) [noun]: minute
morgen (de) [noun]: tomorrow
naar [pre]: to (direction)
nacht (de) [noun]: night
nee [adv]: no
negen [num]: nine
nieuw [adj]: new
november [name]: November
ochtend [adv]: morning
oktober [name]: October
om [pre]: to, around, at (time)
onder [pre]: under
onderwerp (het) [noun]: subject
op [pre]: on
over [pre]: about
overmorgen [adv]: the day after tomorrow
precies [adv]: precisely
puzzel (de) [noun]: puzzle
regenen [verb]: rain
‘s avonds [adv]: in the evening
‘s middags [adv]: in the afternoon
‘s morgens [adv]: in the morning
‘s nachts [adv]: at night
schijnen [verb]: to shine
school (de) [noun]: school
schrikken [verb]: to startle
seizoen (het) [noun]: season
september [name]: September
slapen [verb]: to sleep
sneeuwen [verb]: to snow
spelen [verb]: to play
ster (de) [noun]: star
strand (het) [noun]: beach
televisie (de) [noun]: television
twaalf [num]: twelve
twee [num]: two
uur (het) [noun]: o’clock
van [pre]: by, from, of
vier [num]: four
vijf [num]: five
volgende [num]: next
voor [pre]: for
vraag (de) [noun]: question mark
wat [adv]: what
week (de) [noun]: week
welke [adv]: which
wij [ppro]: We
worden [verb]: become
zes [num]: six
zeven [num]: seven
zijn [verb]: are
zitten [verb]: to sit
zon (de) [noun]: sun