Les 2 Het huis – woordenlijst

Overzicht woordenlijsten

aan [adj]: on
aanrecht (het) [noun]: kitchen counter
aanwijzen [verb]: to assign, point at
aardappel (de) [noun]: potato
acht [num]: eight
af [pre]: off
altijd [adv]: always
antwoord (het) [noun]: answer
bad (het) [noun]: bath
badkamer (de) [noun]: bathroom
bank (de) [noun]: bank
bed (het) [noun]: bed
beginnen [verb]: begin
beneden [adj]: downstairs
bezem (de) [noun]: broom
blauw [adj]: blue
boek (het) [noun]: book
boven [adj]: above
bruin [adj]: brown
buiten [adv]: outside
cijfer (het) [noun]: number
computer (de) [noun]: computer
daar [adv]: there
dak (de) [noun]: roof
dat [pro]: that
de [art]: the
deken (de) [noun]: blanket
deur (de) [noun]: door
deze [pro]: this / these
dicht [adj]: closed
dictee (het) [noun]: dictation
die [pro]: that / those
dit [pro]: this
docent (de) [noun]: lecturer
doek (de) [noun]: cloth
doen [verb]: doing
donker [adj]: dark
douche (de) [noun]: shower
drie [num]: three
droog [adj]: dry
dweilen [verb]: mop
een [num]: An
eindigen [verb]: end, finish
emmer (de) [noun]: bucket
en [con]: and
eten [verb]: to eat
fornuis (het) [noun]: oven
foto (de) [noun]: photo
gaan [verb]: to go
geel [adj]: yellow
goedemorgen [exp]: Good morning
gordijn (het) [noun]: curtain
grammatica (de) [noun]: grammar
groen [adj]: green
handdoek (de) [noun]: towel
hebben [verb]: to have
het [art]: It
hier [adv]: here
hij [ppro]: he
hoeveel [pro]: how many
hoofdletter (de) [noun]: capital letter
huis (het) [noun]: house
huishouden (het) [noun]: households
huiskamer (de) [noun]: living room
ik [ppro]: I
in [pre]: in
ja [adv]: Yes
jij [ppro]: you
jongen (de) [noun]: boy
kamer (de) [noun]: room
kast (de) [noun]: cupboard
keuken (de) [noun]: kitchen
kijken [verb]: to look
kleed (het) [noun]: carpet, cloth, dress
klein [adj]: small
klok (de) [noun]: clock
koelkast (de) [noun]: refrigerator
koken [verb]: to cook
kopen [verb]: buy
kraan (de) [noun]: crane
kussen (het) [noun]: to kiss
lachen [verb]: laugh
laken (het) [noun]: sheet
lamp (de) [noun]: lamp
letter (de) [noun]: character (a, b, c)
licht [adj]: light
liggen [verb]: to lie down
lopen [verb]: to walk
lucht (de) [noun]: air
magnetron (de) [noun]: microwave
maken [verb]: to make
met [pre]: with
mijn [pro]: my, mine
mijzelf [adv]: myself
moe [adj]: tired
muur (de) [noun]: wall
naar [pre]: to (direction)
naast [pre]: next to
nat [adj]: wet
nee [adv]: no
negen [num]: nine
niet [adv]: not
nul [num]: zero
of [con]: or
om [pre]: to, around, at (time)
onder [pre]: under
ook [adv]: also
op [pre]: on
open [adj]: Open
pan (de) [noun]: Pan
pech (de) [noun]: bad luck
plant (de) [noun]: plant
poes (de) [noun]: woman cat, sweet cat
punt (de) [noun]: point
raam (het) [noun]: window
radio (de) [noun]: radio
rijst (de) [noun]: rice
ring (de) [noun]: ring
rood [adj]: red
schoon [adj]: clean
slaapkamer (de) [noun]: bedroom
slang (de) [noun]: snake
slapen [verb]: to sleep
spiegel (de) [noun]: mirror
spons (de) [noun]: sponge
staan [verb]: to stand
stoel (de) [noun]: chair
stofzuiger (de) [noun]: vacuum cleaner
sturen [verb]: to steer
stuur (het) [noun]: steer (car, bicycle)
tafel (de) [noun]: table
tandenborstel (de) [noun]: toothbrush
tang (de) [noun]: pliers
tegenstelling (de) [noun]: contrast, contradiction
televisie (de) [noun]: television
tellen [verb]: to count
tien [num]: ten
tong (de) [noun]: tongue
tuin (de) [noun]: garden
twaalf [num]: twelve
twee [num]: two
ui (de) [noun]: onion
uit [pre]: out
uur (het) [noun]: o’clock
van [pre]: by, from, of
vegen [verb]: sweep
vier [num]: four
vies [adj]: dirty
vijf [num]: five
vloer (de) [noun]: floor
vraag (de) [noun]: question mark
vraagteken (het) [noun]: question mark
waar [adv]: true, where
wakker [adj]: awake
warm [adj]: warm
washand (de) [noun]: washcloth
wassen [verb]: to wash
wastafel (de) [noun]: washbasin
wat [adv]: what
water (het) [noun]: water
wc (de) [noun]: toilet
wekker (de) [noun]: alarm clock
welke [adv]: which
welterusten [exp]: Good night
wij [ppro]: We
wonen [verb]: to live (in a house, city)
worden [verb]: become
zeep (de) [noun]: soap
zeggen [verb]: to say
zes [num]: six
zeven [num]: seven
zij [ppro]: she (single), they (plural)
zijn [verb]: are
zin (de) [noun]: sentence
zitten [verb]: to sit
zolder (de) [noun]: attic
zuigen [verb]: suck
zwabber (de) [noun]: mop for cleaning the floor