Categorie: Les 07 De kleding
-
Zoek de verschillen ♪
Man A Man B Vrouw C Vrouw D Man e Man F Vrouw G Man H Man I Vrouw J Man K Man L Man M -
Zoek de verschillen – dictee ♪
Zoek de verschillen – dictee ♪
- Luister
- Praat
- Schrijf
- Lees

Wat zegt de docent?
Hij heeft een bruin pak en een geel overhemd.
Wat zegt de docent?
Deze oma heeft paarse kleren en een bruine tas.
Wat zegt de docent?
Zij heeft kort haar en een groene jas.
Wat zegt de docent?
Hij heeft een jasje aan, en een zonnebril op.
Wat zegt de docent?
Zijn jasje is dicht en zijn schoenen zijn bruin.
Wat zegt de docent?
Hij heeft groene kleren, en geen baard en geen snor.
-
Scrabble 1
Scrabble 1
-
Scrabble 2
Scrabble 2
-
Scrabble 3
Scrabble 3
-
Het past niet!
Het past niet!
-
Het past niet – dictee ♪
Het past niet – dictee ♪
- Luister
- Praat
- Schrijf
- Lees

Wat zegt de docent?
De broek is te kort.
Wat zegt de docent?
Het overhemd is te krap.
Wat zegt de docent?
De schoenen zijn te klein.
Wat zegt de docent?
De jurk is te lang.
Wat zegt de docent?
Alle kleren zijn te groot.
Wat zegt de docent?
De broek is niet te wijd.
-
Het hele werkwoord
Het hele werkwoord
-
Het hele werkwoord – dictee ♪
Het hele werkwoord – dictee ♪
- Luister
- Praat
- Schrijf
- Lees

Wat zegt de docent?
Ik naai, wij naaien.
Wat zegt de docent?
U maakt, jullie maken.
Wat zegt de docent?
Hij wil, zij willen.
Wat zegt de docent?
Zij betaalt, zij betalen.
Wat zegt de docent?
Ik kam mijn haar, wij kammen ons haar.
Wat zegt de docent?
Zij heeft schoenmaat 39 (negen-en-dertg), jullie hebben schoenmaat 41 (een-en-veertig).
