Categorie: Les 05 De winkel
-
Les 5 In de winkel – woordenlijst
Les 5 In de winkel – woordenlijst
aan [adj]: on acht [num]: eight achter [pre]: behind achterste [adj]: rear, last als [adv]: as appel (de) [noun]: apple automaat (de) [noun]: automatic machine baard (de) [noun]: beard badkamer (de) [noun]: bathroom banaan (de) [noun]: banana band (de) [noun]: band bank (de) [noun]: bank bankpas (de) [noun]: bank card betaalautomaat (de) [noun]: payment terminal betalen [verb]: pay bij [adv]: bee blauw [adj]: blue bloem (de) [noun]: flower boek (het) [noun]: book boodschap (de) [noun]: errand bos (het) [noun]: bunch broccoli (de) [noun]: broccoli dan [adv]: than de [art]: the delen [verb]: to share deze [pro]: this / these dictee (het) [noun]: dictation dik [adj]: thick dit [pro]: this doen [verb]: doing door [pre]: Through drie [num]: three duizend [num]: thousand dun [adj]: thin duur [adj]: duration een [num]: An eerste [adj]: first elf [num]: eleven en [con]: and enkelvoud (het) [noun]: singular eten [verb]: to eat euro (de) [noun]: euro evenveel [adv]: as much filippine (de) [noun]: Philippine fles (de) [noun]: bottle fruit (het) [noun]: fruit gaan [verb]: to go geld (het) [noun]: money genoeg [adv]: enough goedkoop [adj]: cheap gram (de) [noun]: gram groen [adj]: green groente (de) [noun]: vegetables groot [adj]: big haar (het) [noun]: her half [adj]: half hebben [verb]: to have het [art]: It hij [ppro]: he hond (de) [noun]: dog honderd [num]: one hundred hoofd (het) [noun]: head huis (het) [noun]: house ik [ppro]: I in [pre]: in jas (de) [noun]: coat je [ppro]: you jij [ppro]: you jong [adj]: young jongen (de) [noun]: boy jouw [ppro]: your jullie [ppro]: plural you, your kapot [adv]: broken kassa (de) [noun]: cash register, money counter kassabon (de) [noun]: cash receipt keer (de) [noun]: time, times (one time, two times) kers (de) [noun]: cherry kijken [verb]: to look kilo (de) [noun]: kilo kin (de) [noun]: chin kind (het) [noun]: child klein [adj]: small kleur (de) [noun]: colour kopen [verb]: buy kosten [verb]: costs krijgen [verb]: to get kussen (het) [noun]: to kiss lachen [verb]: laugh leggen [verb]: to lay lekker [adj]: tasty, nice (food, smell, feeling, weather) lelijk [adj]: ugly letter (de) [noun]: character (a, b, c) lettergreep (de) [noun]: syllable lief [adj]: sweet, nice (person) liggen [verb]: to lie down lopen [verb]: to walk maar [adv]: but maken [verb]: to make man (de) [noun]: man meer [adv]: more meervoud (het) [noun]: plural meisje (het) [noun]: girl mens (de) [noun]: person, human met [pre]: with middelste [adj]: middle one mijn [pro]: my, mine min [adv]: minus minder [adv]: fewer mooi [adj]: nice, beautiful naar [pre]: to (direction) naast [pre]: next to nee [adv]: no negen [num]: nine niet [adv]: not nieuw [adj]: new nu [adv]: now of [con]: or ons [ppro]: us ook [adv]: also op [pre]: on oud [adj]: old paardenstaart (de) [noun]: ponytail paars [adj]: purple pen (de) [noun]: pen per [adv]: per pet (de) [noun]: cap pinbon (de) [noun]: pin receipt pincode (de) [noun]: PIN code plus [adv]: plus poes (de) [noun]: woman cat, sweet cat portemonnee (de) [noun]: wallet precies [adv]: precisely prijs (de) [noun]: price puzzel (de) [noun]: puzzle rangtelwoord (het) [noun]: ordinal number rij (de) [noun]: row schap (het) [noun]: shelf in a shop schilderij (het) [noun]: painting schoon [adj]: clean schrift (het) [noun]: notebook shampoo (de) [noun]: shampoo slapen [verb]: to sleep spinazie (de) [noun]: spinach staan [verb]: to stand staart (de) [noun]: tail stoel (de) [noun]: chair stout [adj]: stout tachtig [num]: eighty tafel (de) [noun]: table tas (de) [noun]: bag te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much) tegenstelling (de) [noun]: contrast, contradiction tien [num]: ten toets (de) [noun]: key on keyboard toetsen [verb]: to key in on keyboard tros [num]: bunch twaalf [num]: twelve twee [num]: two ui (de) [noun]: onion van [pre]: by, from, of veel [num]: a lot of vest (het) [noun]: vest vier [num]: four vies [adj]: dirty vijf [num]: five vlees (het) [noun]: meat voor [pre]: for voorste [adj]: front, first vrouw (de) [noun]: woman waar [adv]: true, where want [con]: because wat [adv]: what wc (de) [noun]: toilet weinig [num]: few wel [adv]: well, yes, indeed welke [adv]: which wie [adv]: who wij [ppro]: We willen [verb]: to want, wish winkel (de) [noun]: shop winkelmand (de) [noun]: shopping basket winkelwagen (de) [noun]: shopping cart wit [adj]: white worst (de) [noun]: sausage zes [num]: six zeven [num]: seven zij [ppro]: she (single), they (plural) zijn [verb]: are zin (de) [noun]: sentence zwart [adj]: black -
Les 5 In de winkel – woordenlijst PDF
Les 5 In de winkel – woordenlijst PDF
-
-
In de tas – dictee ♪
In de tas – dictee ♪
- Luister
- Praat
- Schrijf
- Lees

Wat zegt de docent?
Afwasborstels en bananen
Wat zegt de docent?
Frisdrank en bloemen
Wat zegt de docent?
Lucifers en pastasaus
Wat zegt de docent?
Tandpasta en shampoo
Wat zegt de docent?
Toiletpapier
-
-
Wat zie ik in de winkel?
Wat zie ik in de winkel?
-
In de winkel – dictee ♪
In de winkel – dictee ♪
- Luister
- Praat
- Schrijf
- Lees

Wat zegt de docent?
een prijs
Wat zegt de docent?
een portemonnee
Wat zegt de docent?
een winkelwagen
Wat zegt de docent?
een winkelmand
Wat zegt de docent?
groenten
-
De groene fles
De groene fles











