Nederlandse les

Nederlandse les

  • Wij leren Nederlands
    • Les 1 Kennis maken
    • Les 2 Het huis
    • Les 3 De tijd
    • Les 4 Het lichaam
    • Les 5 In de winkel
    • Les 6 Eten en drinken
    • Les 7 De kleding
    • Les 8 De familie
    • Les 9 Het vervoer
    • Les 10 De vrije tijd

Groot en klein

Overzicht les 5

Preloader Image
05.29.01-groot-en-klein
05.29.02-groot-en-klein
05.29.03-groot-en-klein
05.29.04-groot-en-klein
05.29.05-groot-en-klein
05.29.06-groot-en-klein
05.29.07-groot-en-klein
05.29.08-groot-en-klein
05.29.09-groot-en-klein
05.29.10-groot-en-klein
05.29.11-groot-en-klein
05.29.12-groot-en-klein
05.29.13-groot-en-klein
05.29.14-groot-en-klein
05.29.15-groot-en-klein
05.29.16-groot-en-klein
05.29.17-groot-en-klein
05.29.18-groot-en-klein
05.29.19-groot-en-klein
05.29.20-groot-en-klein
05.29.21-groot-en-klein

Meer lessen

  • Meer of minder
  • Meer of minder – vragen
  • Te veel of te weinig
  • Veel of weinig – dictee ♪
  • Groot en klein
  • Groot en klein – dictee ♪
  • Duur en goedkoop
  • Duur en goedkoop – dictee ♪
  • Hoog en laag 1
  • Hoog en laag 2
  • Hoog en laag – dictee
30 oktober 2025

Woordenlijst – legenda

Each word is explained on a separate line / elk woord wordt op een aparte regel uitgelegd.

E.g. “aanrecht (het) [noun]: kitchen counter”

The Dutch word is “aanrecht”. The English translation is “kitchen counter”

Between [ ] brackets is the word type / tussen [ ] staat het woordtype:

  1. adj = adjective / bijvoeglijk naamwoord
  2. adv = adverb / bijwoord
  3. art = article / lidwoord
  4. name / naam
  5. ppro = personal pronoun / persoonlijk voornaamwoord
  6. num = numeral / telwoord
  7. exp = expression / uitdrukking
  8. con = conjunction / voegwoord
  9. pro = pronoun / voornaamwoord
  10. pre = preposition / voorzetsel
  11. verb / werkwoord
  12. noun / zelfstandig naamwoord

Most nouns have a definite article / de meeste zelfstandige naamwoorden hebben een bepaald lidwoord.

In Dutch it can be “de” or “het” / in het Nederlands kan dat “de” of “het” zijn.

aanrecht (het) [noun]: kitchen counter

The word is aanrecht. It is a noun. The article is het (het aanrecht). In English it is the kitchen counter.

×