Nederlandse les

Nederlandse les

  • Wij leren Nederlands
    • Les 1 Kennis maken
    • Les 2 Het huis
    • Les 3 De tijd
    • Les 4 Het lichaam
    • Les 5 In de winkel
    • Les 6 Eten en drinken
    • Les 7 De kleding
    • Les 8 De familie
    • Les 9 Het vervoer
    • Les 10 De vrije tijd

In de tas

Overzicht les 5

Preloader Image
05.05.01-in-de-tas
05.05.02-in-de-tas
05.05.03-in-de-tas
05.05.04-in-de-tas
05.05.05-in-de-tas
05.05.06-in-de-tas
05.05.07-in-de-tas
05.05.08-in-de-tas
05.05.09-in-de-tas
05.05.10-in-de-tas
05.05.11-in-de-tas
05.05.12-in-de-tas
05.05.13-in-de-tas
05.05.14-in-de-tas
05.05.15-in-de-tas
05.05.16-in-de-tas
05.05.17-in-de-tas
05.05.18-in-de-tas
05.05.19-in-de-tas
05.05.20-in-de-tas

Meer lessen

  • Woorden in de winkel ♪
  • Boodschappen doen – 1 ♪
  • Boodschappen doen – 2 ♪
  • Boodschappen – dictee ♪
  • In de tas
  • In de tas – dictee ♪
  • Wat zie ik in de winkel?
  • In de winkel – dictee ♪
30 oktober 2025

Woordenlijst – legenda

Each word is explained on a separate line / elk woord wordt op een aparte regel uitgelegd.

E.g. “aanrecht (het) [noun]: kitchen counter”

The Dutch word is “aanrecht”. The English translation is “kitchen counter”

Between [ ] brackets is the word type / tussen [ ] staat het woordtype:

  1. adj = adjective / bijvoeglijk naamwoord
  2. adv = adverb / bijwoord
  3. art = article / lidwoord
  4. name / naam
  5. ppro = personal pronoun / persoonlijk voornaamwoord
  6. num = numeral / telwoord
  7. exp = expression / uitdrukking
  8. con = conjunction / voegwoord
  9. pro = pronoun / voornaamwoord
  10. pre = preposition / voorzetsel
  11. verb / werkwoord
  12. noun / zelfstandig naamwoord

Most nouns have a definite article / de meeste zelfstandige naamwoorden hebben een bepaald lidwoord.

In Dutch it can be “de” or “het” / in het Nederlands kan dat “de” of “het” zijn.

aanrecht (het) [noun]: kitchen counter

The word is aanrecht. It is a noun. The article is het (het aanrecht). In English it is the kitchen counter.

×