Categorie: Les 03 De tijd
-
De afspraak – vragen
De afspraak – vragen
-
Les 3 De tijd – woordenlijst PDF
Les 3 De tijd – woordenlijst PDF
-
De afspraak – dictee ♪
De afspraak – dictee ♪
- Luister: luister eerst goed wat de docent zegt. Begrijp je wat de docent zegt?
- Praat: herhaal wat de docent zegt. Luister nog een keer.
- Schrijf: schrijf op wat de docent zegt.
- Lees: kijk of je het goed hebt geschreven.

Wat zegt de docent?
In een kalender staan datums.
Wat zegt de docent?
In een agenda staan afspraken
Wat zegt de docent?
Dit is jouw agenda.
Wat zegt de docent?
Met wie heb jij een afspraak?
Wat zegt de docent?
Hoe laat hebben wij een afspraak?
Wat zegt de docent?
Ik heb om twee (2) uur een afspraak met Tom.
-
Les 3 De tijd – woordenlijst
Les 3 De tijd – woordenlijst
acht [num]: eight afspraak (de) [noun]: appointment agenda (de) [noun]: agenda antwoord (het) [noun]: answer april [name]: April augustus [name]: August avond (de) [noun]: evening bank (de) [noun]: bank beginnen [verb]: begin bloeien [verb]: bloom bloem (de) [noun]: flower boom (de) [noun]: tree bruin [adj]: brown buiten [adv]: outside dag (de) [noun]: day dagdeel (het) [noun]: part of the day datum (de) [noun]: date de [art]: the december [name]: December detail (het) [noun]: detail dictee (het) [noun]: dictation dinsdag [name]: Tuesday dit [pro]: this donderdag [name]: Thursday donker [adj]: dark drie [num]: three een [num]: An één [num]: one (1) eergisteren [adv]: the day before yesterday ei (het) [noun]: egg elf [num]: eleven en [con]: and eten [verb]: to eat februari [name]: February gaan [verb]: to go geboren [adv]: born geel [adj]: yellow geen [num]: no gisteren [adv]: yesterday goed [adv]: Good grammatica (de) [noun]: grammar groen [adj]: green haan (de) [noun]: rooster half [adj]: half hebben [verb]: to have herfst (de) [noun]: autumn het [art]: It heten [verb]: to be named hij [ppro]: he hoe [adv]: how ik [ppro]: I in [pre]: in ja [adv]: Yes jaar (het) [noun]: year januari [name]: January jij [ppro]: you juli [name]: July jullie [ppro]: plural you, your juni [name]: June kerstmis (de) [noun]: Christmas kijken [verb]: to look kind (het) [noun]: child klok (de) [noun]: clock komen [verb]: to come kort [adv]: short koud [adj]: cold kraaien [verb]: crows kukelekuu [exp]: cock-a-doodle-doo kwart [num]: quarter kwartier (het) [noun]: quarter hour laat [adv]: late (in time) lam (het) [noun]: lamb lang [adj]: long leggen [verb]: to lay lente (de) [noun]: spring les (de) [noun]: lesson maan (de) [noun]: Moon maand (de) [noun]: month maandag [name]: Monday maart [name]: March mei [name]: May mens (de) [noun]: person, human met [pre]: with middag (de) [noun]: afternoon mijn [pro]: my, mine minuut (de) [noun]: minute morgen (de) [noun]: tomorrow naar [pre]: to (direction) nacht (de) [noun]: night nee [adv]: no negen [num]: nine nieuw [adj]: new november [name]: November ochtend [adv]: morning oktober [name]: October om [pre]: to, around, at (time) onder [pre]: under onderwerp (het) [noun]: subject op [pre]: on over [pre]: about overmorgen [adv]: the day after tomorrow precies [adv]: precisely puzzel (de) [noun]: puzzle regenen [verb]: rain ‘s avonds [adv]: in the evening ‘s middags [adv]: in the afternoon ‘s morgens [adv]: in the morning ‘s nachts [adv]: at night schijnen [verb]: to shine school (de) [noun]: school schrikken [verb]: to startle seizoen (het) [noun]: season september [name]: September slapen [verb]: to sleep sneeuwen [verb]: to snow spelen [verb]: to play ster (de) [noun]: star strand (het) [noun]: beach televisie (de) [noun]: television twaalf [num]: twelve twee [num]: two uur (het) [noun]: o’clock van [pre]: by, from, of vier [num]: four vijf [num]: five volgende [num]: next voor [pre]: for vraag (de) [noun]: question mark wat [adv]: what week (de) [noun]: week welke [adv]: which wij [ppro]: We worden [verb]: become zes [num]: six zeven [num]: seven zijn [verb]: are zitten [verb]: to sit zon (de) [noun]: sun -
Kwartier oefenen
Kwartier oefenen
