Nederlandse les

Nederlandse les

  • Wij leren Nederlands
    • Les 1 Kennis maken
    • Les 2 Het huis
    • Les 3 De tijd
    • Les 4 Het lichaam
    • Les 5 In de winkel
    • Les 6 Eten en drinken
    • Les 7 De kleding
    • Les 8 De familie
    • Les 9 Het vervoer
    • Les 10 De vrije tijd

Les 5 In de winkel

  • Ik doe boodschappen
  • De grote groene fles
  • Winkel-puzzel – maak het woord
  • Tegenstellingen en geld
  • Meer, minder, groter, kleiner
  • De eerste, de laatste, en geld tellen
  • Puzzel en dictee
Alle pagina’s van deze les
  • Ik doe boodschappen
    • Woorden in de winkel ♪
    • Boodschappen doen – 1 ♪
    • Boodschappen doen – 2 ♪
    • Boodschappen – dictee ♪
    • In de tas
    • In de tas – dictee ♪
    • Wat zie ik in de winkel?
    • In de winkel – dictee ♪
  • De grote groene fles
    • De groene fles
    • De groene fles – oefenen ♪
  • Winkel-puzzel – maak het woord
    • Winkel-puzzel 1
    • Winkel-puzzel 2
    • Winkel-puzzel 3
    • Winkel-puzzel 4
    • Winkel-puzzel 5
    • Winkel-puzzel 6
    • Winkel-puzzel 7
    • Winkel-puzzel 8
  • Tegenstellingen en geld
    • Tegenstellingen 1
    • Tegenstellingen 2
    • Tegenstellingen dictee ♪
    • Pinnen
    • Mijn geld is op ♪
    • Jouw geld is op ♪
  • Meer, minder, groter, kleiner
    • Meer of minder
    • Meer of minder – vragen
    • Te veel of te weinig
    • Veel of weinig – dictee ♪
    • Groot en klein
    • Groot en klein – dictee ♪
    • Duur en goedkoop
    • Duur en goedkoop – dictee ♪
    • Hoog en laag 1
    • Hoog en laag 2
    • Hoog en laag – dictee
  • De eerste, de laatste, en geld tellen
    • Rangtelwoorden
    • Voorste en achterste
    • Rangtelwoorden lijst ♪
    • Mijn spaarvarken ♪
  • Puzzel en dictee
    • Winkel-filippine
    • De winkel – einddictee ♪

Meer lessen

  • Les 1 Kennis maken
  • Les 2 Het huis
  • Les 3 De tijd
  • Les 4 Het lichaam
  • Les 5 In de winkel
  • Les 6 Eten en drinken
  • Les 7 De kleding
  • Les 8 De familie
  • Les 9 Het vervoer
  • Les 10 De vrije tijd
8 november 2025

Woordenlijst – legenda

Each word is explained on a separate line / elk woord wordt op een aparte regel uitgelegd.

E.g. “aanrecht (het) [noun]: kitchen counter”

The Dutch word is “aanrecht”. The English translation is “kitchen counter”

Between [ ] brackets is the word type / tussen [ ] staat het woordtype:

  1. adj = adjective / bijvoeglijk naamwoord
  2. adv = adverb / bijwoord
  3. art = article / lidwoord
  4. name / naam
  5. ppro = personal pronoun / persoonlijk voornaamwoord
  6. num = numeral / telwoord
  7. exp = expression / uitdrukking
  8. con = conjunction / voegwoord
  9. pro = pronoun / voornaamwoord
  10. pre = preposition / voorzetsel
  11. verb / werkwoord
  12. noun / zelfstandig naamwoord

Most nouns have a definite article / de meeste zelfstandige naamwoorden hebben een bepaald lidwoord.

In Dutch it can be “de” or “het” / in het Nederlands kan dat “de” of “het” zijn.

aanrecht (het) [noun]: kitchen counter

The word is aanrecht. It is a noun. The article is het (het aanrecht). In English it is the kitchen counter.

×