- Luister
- Praat
- Schrijf
- Lees
Wat zegt de docent?
In de huiskamer ligt een kleed.
Wat zegt de docent?
De tafel staat op het kleed.
Wat zegt de docent?
Op de bank liggen kussens.
Wat zegt de docent?
Voor het raam hangen gordijnen.
Wat zegt de docent?
De televisie staat op de kast.
Wat zegt de docent?
Mijn huis heeft een huiskamer.
Wat zegt de docent?
De tafel en de stoel staan op het kleed.
Wat zegt de docent?
Wij kijken naar de televisie.
Wat zegt de docent?
Hij gaat de kamer uit.
Wat zegt de docent?
Zij doet de gordijnen dicht.


