Het huishouden – dictee ♪
- Luister
- Praat
- Schrijf
- Lees

Wat zegt de docent?
Mia maakt de vloer schoon.
Wat zegt de docent?
Zij heeft een zwabber en zeep.
Wat zegt de docent?
Hij heeft een spons en een emmer.
Wat zegt de docent?
Dit is een emmer met sop.
Wat zegt de docent?
Zij veegt de vloer met een bezem.
Wat zegt de docent?
De wc is schoon, de doek is vies.
