Categorie: Alle lessen

De 10 openingspagina’s per les

  • Kennis maken – eindpuzzels en dictee

    Kennis maken – eindpuzzels en dictee

    Kennis maken – eindpuzzels en dictee

    Overzicht les 1

  • Kennis maken – woorden 8

    Kennis maken – woorden 8

    Overzicht les 1

  • Oma en opa – dictee ♪

    Oma en opa – dictee ♪

    Overzicht les 8

    1. Luister
    2. Praat
    1. Schrijf
    2. Lees
  • Les 8 De familie – woordenlijst

    Les 8 De familie – woordenlijst

    Overzicht woordenlijsten

    achterkleinkind (het) [noun]: great-grandchild
    afspreken [verb]: to agree, appoint
    allerliefste [adj]: most dearest
    alles [num]: everything
    alstublieft [exp]: please
    antwoord (het) [noun]: answer
    baby (de) [noun]: baby
    bed (het) [noun]: bed
    bellen [verb]: to call
    bezoek (het) [noun]: visit
    bij [adv]: bee
    blij [adj]: pleased
    blijven [verb]: to stay
    broer (de) [noun]: brother
    buik (de) [noun]: belly
    cadeau (het) [noun]: gift
    citroen (de) [noun]: lemon
    daar [adv]: there
    dag (de) [noun]: day
    dan [adv]: than
    dank (de) [noun]: thanks
    dat [pro]: that
    de [art]: the
    deze [pro]: this / these
    dictee (het) [noun]: dictation
    die [pro]: that / those
    dit [pro]: this
    dochter (de) [noun]: daughter
    dokter (de) [noun]: doctor (medical)
    drie [num]: three
    echtgenoot (de) [noun]: husband, wife, marital partner
    een [num]: An
    één [num]: one (1)
    ééntje [num]: a small one
    eigen [adj]: own
    elkaar [pro]: each other
    en [con]: and
    enkelvoud (het) [noun]: singular
    er [adv]: there
    eten [verb]: to eat
    even [adv]: even
    familie (de) [noun]: family
    feest (het) [noun]: party
    feliciteren [verb]: congratulate
    filippine (de) [noun]: Philippine
    gaan [verb]: to go
    gast (de) [noun]: guest
    generatie (de) [noun]: generation
    gezin (het) [noun]: small family / household
    gisteren [adv]: yesterday
    goed [adv]: Good
    goedemiddag [exp]: Good afternoon
    graag [adj]: please, happy
    groot [adj]: big
    grootmoeder (de) [noun]: grandmother
    grootouder (de) [noun]: grandparent
    grootvader (de) [noun]: grandfather
    haar (het) [noun]: her
    hallo [exp]: Hello
    hebben [verb]: to have
    heel [adv]: all, complete, restored
    hem [ppro]: him
    het [art]: It
    heten [verb]: to be named
    hij [ppro]: he
    hoe [adv]: how
    hoera [exp]: hurrah
    hond (de) [noun]: dog
    honing (de) [noun]: honey
    houden [verb]: keep
    huis (het) [noun]: house
    hun [ppro]: their
    idee (het) [noun]: idea
    iedereen [pro]: everyone
    ik [ppro]: I
    in [pre]: in
    ja [adv]: Yes
    jaar (het) [noun]: year
    jarig [adv]: birthday
    je [ppro]: you
    jij [ppro]: you
    jou [ppro]: to you
    jouw [ppro]: your
    jullie [ppro]: plural you, your
    keel (de) [noun]: throat
    kind (het) [noun]: child
    kleindochter (de) [noun]: granddaughter
    kleinkind (het) [noun]: grandchild
    kleinzoon (de) [noun]: grandson
    koekje (het) [noun]: cookie
    koffie (de) [noun]: coffee
    kom (de) [noun]: a bowl, to come
    komen [verb]: to come
    kopje (het) [noun]: little cup
    krijgen [verb]: to get
    kunnen [verb]: be able to
    lekker [adj]: tasty, nice (food, smell, feeling, weather)
    leuk [adj]: nice
    liever [adv]: rather
    liggen [verb]: to lie down
    limonade (de) [noun]: lemonade
    lusten [verb]: to like, find tasty (food)
    maar [adv]: but
    mama (de) [noun]: mom
    man (de) [noun]: man
    mee [adv]: along, together
    meenemen [verb]: take along
    meervoud (het) [noun]: plural
    meisje (het) [noun]: girl
    melk (de) [noun]: milk
    met [pre]: with
    mevrouw (de) [noun]: Madam
    mij [ppro]: me
    mijn [pro]: my, mine
    moeder (de) [noun]: mother
    mogen [verb]: to be allowed to
    mooi [adj]: nice, beautiful
    naar [pre]: to (direction)
    natuurlijk [adv]: Naturally
    nee [adv]: no
    neef (de) [noun]: cousin
    nemen [verb]: to take
    nicht (de) [noun]: niece, woman cousin
    niet [adv]: not
    noemen [verb]: to call
    nog [adv]: yet
    nu [adv]: now
    of [con]: or
    om [pre]: to, around, at (time)
    oma (de) [noun]: grandma
    onregelmatig [adj]: irregular
    ons [ppro]: us
    ook [adv]: also
    oom (de) [noun]: uncle
    op [pre]: on
    opa (de) [noun]: grandpa
    oud [adj]: old
    ouder (de) [noun]: parent
    overgrootouder (de) [noun]: great-grandparent
    papa (de) [noun]: dad
    partner (de) [noun]: partner
    pijn [adj]: pain
    puzzelen [verb]: puzzle
    regelmatig [adv]: regularly
    relatie (de) [noun]: relation
    school (de) [noun]: school
    schoonbroer (de) [noun]: brother-in-law
    schoondochter (de) [noun]: daughter-in-law
    schoonfamilie (de) [noun]: in-laws
    schoonouder (de) [noun]: parent-in-law
    schoonzoon (de) [noun]: son-in-law
    schoonzus (de) [noun]: sister-in-law
    sinds [adv]: since
    slapen [verb]: to sleep
    smart phone (de) [noun]: smartphone
    spreken [verb]: speak
    stamboom (de) [noun]: pedigree
    suiker (de) [noun]: sugar
    taart (de) [noun]: cake
    tante (de) [noun]: aunt
    te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much)
    tegenwoordig [adv]: nowadays
    thee (de) [noun]: tea
    tijd (de) [noun]: time
    toen [adv]: when, then
    trouwen [verb]: to marry
    twee [num]: two
    uur (het) [noun]: o’clock
    vaak [adv]: often
    vader (de) [noun]: father
    van [pre]: by, from, of
    vanavond [adv]: this evening
    vandaag [adv]: Today
    veel [num]: a lot of
    vergeten [verb]: forget
    verleden (het) [noun]: past
    verliefd [adj]: in love
    vervelend [adj]: annoying
    vinden [verb]: find
    vraag (de) [noun]: question mark
    vriend (de) [noun]: friend
    vriendin (de) [noun]: girlfriend
    vroeger [adv]: earlier, in the past
    vrouw (de) [noun]: woman
    waarom [pro]: Why
    wakker [adj]: awake
    wanneer [adv]: when
    want [con]: because
    wat [adv]: what
    we [ppro]: we
    wel [adv]: well, yes, indeed
    werkwoord (het) [noun]: verb
    wie [adv]: who
    wij [ppro]: We
    willen [verb]: to want, wish
    wonen [verb]: to live (in a house, city)
    worden [verb]: become
    ze [ppro]: she (single), they (plural)
    ziek [adj]: sick
    zien [verb]: to see
    zij [ppro]: she (single), they (plural)
    zijn [verb]: are
    zin (de) [noun]: sentence
    zoon (de) [noun]: son
    zullen [verb]: shall
    zus (de) [noun]: sister
    zwager (de) [noun]: brother-in-law
  • Les 8 De familie – woordenlijst PDF

    Les 8 De familie – woordenlijst PDF

    Overzicht woordenlijsten

  • Groeten ♪

    Groeten ♪

    Overzicht les 1

    Luister naar de docent.
  • Les 9 Het vervoer – woordenlijst

    Les 9 Het vervoer – woordenlijst

    Overzicht woordenlijsten

    aan [adj]: on
    afspraak (de) [noun]: appointment
    alle [num]: all
    ander [adj]: other
    arabisch [adj]: Arabic
    arm (de) [noun]: arm
    auto (de) [noun]: auto
    bank (de) [noun]: bank
    behalve [adv]: except
    bestuurder (de) [noun]: driver
    bij [adv]: bee
    blauw [adj]: blue
    blijven [verb]: to stay
    bloot [adj]: naked
    broek (de) [noun]: pair of trousers
    bus (de) [noun]: bus
    chipkaart (de) [noun]: chip card
    daar [adv]: there
    daarom [adv]: that’s why
    dan [adv]: than
    dat [pro]: that
    de [art]: the
    dictee (het) [noun]: dictation
    dit [pro]: this
    dokter (de) [noun]: doctor (medical)
    donkerrood [adj]: dark red
    door [pre]: Through
    dorst [adj]: thirst
    drinken [verb]: drinks
    druk [adv]: busy
    een [num]: An
    één [num]: one (1)
    eerst [num]: first
    elkaar [pro]: each other
    en [con]: and
    er [adv]: there
    fles (de) [noun]: bottle
    fruit (het) [noun]: fruit
    gaan [verb]: to go
    gebeuren [verb]: to happen
    geen [num]: no
    geld (het) [noun]: money
    goed [adv]: Good
    groen [adj]: green
    groente (de) [noun]: vegetables
    haar (het) [noun]: her
    hebben [verb]: to have
    hem [ppro]: him
    het [art]: It
    hij [ppro]: he
    hond (de) [noun]: dog
    hun [ppro]: their
    iets [pro]: something
    ik [ppro]: I
    in [pre]: in
    instappen [verb]: boarding
    jarig [adv]: birthday
    je [ppro]: you
    jij [ppro]: you
    kaartje (het) [noun]: card, ticket
    kapot [adv]: broken
    keuze (de) [noun]: choice
    kijken [verb]: to look
    koffie (de) [noun]: coffee
    komen [verb]: to come
    kopen [verb]: buy
    kruis (het) [noun]: cross
    kruisen [verb]: to cross (a street etc.)
    kruispunt (het) [noun]: intersection
    laat [adv]: late (in time)
    last (de) [noun]: burden, trouble, problem
    later [adv]: later
    lekker [adj]: tasty, nice (food, smell, feeling, weather)
    leren [verb]: to learn
    links [adj]: left
    los [adv]: loose
    maar [adv]: but
    maken [verb]: to make
    man (de) [noun]: man
    meisje (het) [noun]: girl
    melk (de) [noun]: milk
    mens (de) [noun]: person, human
    met [pre]: with
    midden (het) [noun]: middle
    moe [adj]: tired
    moeten [verb]: must
    mogen [verb]: to be allowed to
    motor (de) [noun]: engine
    naar [pre]: to (direction)
    naast [pre]: next to
    nederlands [adj]: Dutch
    niet [adv]: not
    nodig [adv]: necessary
    nog [adv]: yet
    nu [adv]: now
    oefenen [verb]: to practice
    of [con]: or
    oma (de) [noun]: grandma
    omdat [con]: because
    ook [adv]: also
    op [pre]: on
    ov-chipkaart (de) [noun]: public transport chip card
    over [pre]: about
    overstappen [verb]: change (transport)
    oversteken [verb]: cross over
    pak (het) [noun]: suit
    piloot (de) [noun]: pilot
    puzzel (de) [noun]: puzzle
    rechtdoor [adv]: straight ahead
    rechts [adv]: right
    rij (de) [noun]: row
    rijden [verb]: to ride
    samen [adv]: together
    schoon [adj]: clean
    slapen [verb]: to sleep
    spiegel (de) [noun]: mirror
    spreken [verb]: speak
    stappen [verb]: steps
    stoppen [verb]: to stop
    te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much)
    tegenstelling (de) [noun]: contrast, contradiction
    telefoon (de) [noun]: telephone
    thee (de) [noun]: tea
    thuis [adv]: At home
    tijd (de) [noun]: time
    toch [adv]: still, yet, anyway
    trein (de) [noun]: train
    turks [adj]: Turkish
    tussen [pre]: between
    twee [num]: two
    tweede [num]: second
    uit [pre]: out
    uitstappen [verb]: get out
    van [pre]: by, from, of
    vandaag [adv]: Today
    veel [num]: a lot of
    veilig [adv]: safe
    verder [adv]: further
    vergeten [verb]: forget
    verkeer (het) [noun]: traffic
    vertellen [verb]: narrate
    vies [adj]: dirty
    vinden [verb]: find
    visite (de) [noun]: visitors
    voegen [verb]: add
    voegwoord (het) [noun]: conjunction
    voetganger (de) [noun]: pedestrian
    voorrang (de) [noun]: priority
    vriend (de) [noun]: friend
    vrouw (de) [noun]: woman
    waarom [pro]: Why
    wachten [verb]: to wait
    wagon (de) [noun]: wagon
    want [con]: because
    warm [adj]: warm
    wassen [verb]: to wash
    water (het) [noun]: water
    we [ppro]: we
    weg (de) [noun]: road
    weinig [num]: few
    wel [adv]: well, yes, indeed
    werken [verb]: to work
    wie [adv]: who
    willen [verb]: to want, wish
    worden [verb]: become
    ze [ppro]: she (single), they (plural)
    zebra (de) [noun]: zebra
    zebrapad (het) [noun]: zebra crossing
    ziek [adj]: sick
    zij [ppro]: she (single), they (plural)
    zijn [verb]: are
    zin (de) [noun]: sentence
    zitten [verb]: to sit
    zomer (de) [noun]: summer
    zonnebril (de) [noun]: sunglasses