Categorie: Les 08 De familie
-
-
-
Oma en opa – Mia
Oma en opa – Mia
-
Les 8 De familie – woordenlijst
Les 8 De familie – woordenlijst
achterkleinkind (het) [noun]: great-grandchild afspreken [verb]: to agree, appoint allerliefste [adj]: most dearest alles [num]: everything alstublieft [exp]: please antwoord (het) [noun]: answer baby (de) [noun]: baby bed (het) [noun]: bed bellen [verb]: to call bezoek (het) [noun]: visit bij [adv]: bee blij [adj]: pleased blijven [verb]: to stay broer (de) [noun]: brother buik (de) [noun]: belly cadeau (het) [noun]: gift citroen (de) [noun]: lemon daar [adv]: there dag (de) [noun]: day dan [adv]: than dank (de) [noun]: thanks dat [pro]: that de [art]: the deze [pro]: this / these dictee (het) [noun]: dictation die [pro]: that / those dit [pro]: this dochter (de) [noun]: daughter dokter (de) [noun]: doctor (medical) drie [num]: three echtgenoot (de) [noun]: husband, wife, marital partner een [num]: An één [num]: one (1) ééntje [num]: a small one eigen [adj]: own elkaar [pro]: each other en [con]: and enkelvoud (het) [noun]: singular er [adv]: there eten [verb]: to eat even [adv]: even familie (de) [noun]: family feest (het) [noun]: party feliciteren [verb]: congratulate filippine (de) [noun]: Philippine gaan [verb]: to go gast (de) [noun]: guest generatie (de) [noun]: generation gezin (het) [noun]: small family / household gisteren [adv]: yesterday goed [adv]: Good goedemiddag [exp]: Good afternoon graag [adj]: please, happy groot [adj]: big grootmoeder (de) [noun]: grandmother grootouder (de) [noun]: grandparent grootvader (de) [noun]: grandfather haar (het) [noun]: her hallo [exp]: Hello hebben [verb]: to have heel [adv]: all, complete, restored hem [ppro]: him het [art]: It heten [verb]: to be named hij [ppro]: he hoe [adv]: how hoera [exp]: hurrah hond (de) [noun]: dog honing (de) [noun]: honey houden [verb]: keep huis (het) [noun]: house hun [ppro]: their idee (het) [noun]: idea iedereen [pro]: everyone ik [ppro]: I in [pre]: in ja [adv]: Yes jaar (het) [noun]: year jarig [adv]: birthday je [ppro]: you jij [ppro]: you jou [ppro]: to you jouw [ppro]: your jullie [ppro]: plural you, your keel (de) [noun]: throat kind (het) [noun]: child kleindochter (de) [noun]: granddaughter kleinkind (het) [noun]: grandchild kleinzoon (de) [noun]: grandson koekje (het) [noun]: cookie koffie (de) [noun]: coffee kom (de) [noun]: a bowl, to come komen [verb]: to come kopje (het) [noun]: little cup krijgen [verb]: to get kunnen [verb]: be able to lekker [adj]: tasty, nice (food, smell, feeling, weather) leuk [adj]: nice liever [adv]: rather liggen [verb]: to lie down limonade (de) [noun]: lemonade lusten [verb]: to like, find tasty (food) maar [adv]: but mama (de) [noun]: mom man (de) [noun]: man mee [adv]: along, together meenemen [verb]: take along meervoud (het) [noun]: plural meisje (het) [noun]: girl melk (de) [noun]: milk met [pre]: with mevrouw (de) [noun]: Madam mij [ppro]: me mijn [pro]: my, mine moeder (de) [noun]: mother mogen [verb]: to be allowed to mooi [adj]: nice, beautiful naar [pre]: to (direction) natuurlijk [adv]: Naturally nee [adv]: no neef (de) [noun]: cousin nemen [verb]: to take nicht (de) [noun]: niece, woman cousin niet [adv]: not noemen [verb]: to call nog [adv]: yet nu [adv]: now of [con]: or om [pre]: to, around, at (time) oma (de) [noun]: grandma onregelmatig [adj]: irregular ons [ppro]: us ook [adv]: also oom (de) [noun]: uncle op [pre]: on opa (de) [noun]: grandpa oud [adj]: old ouder (de) [noun]: parent overgrootouder (de) [noun]: great-grandparent papa (de) [noun]: dad partner (de) [noun]: partner pijn [adj]: pain puzzelen [verb]: puzzle regelmatig [adv]: regularly relatie (de) [noun]: relation school (de) [noun]: school schoonbroer (de) [noun]: brother-in-law schoondochter (de) [noun]: daughter-in-law schoonfamilie (de) [noun]: in-laws schoonouder (de) [noun]: parent-in-law schoonzoon (de) [noun]: son-in-law schoonzus (de) [noun]: sister-in-law sinds [adv]: since slapen [verb]: to sleep smart phone (de) [noun]: smartphone spreken [verb]: speak stamboom (de) [noun]: pedigree suiker (de) [noun]: sugar taart (de) [noun]: cake tante (de) [noun]: aunt te [adv]: at, in (location), too (e.g. too much) tegenwoordig [adv]: nowadays thee (de) [noun]: tea tijd (de) [noun]: time toen [adv]: when, then trouwen [verb]: to marry twee [num]: two uur (het) [noun]: o’clock vaak [adv]: often vader (de) [noun]: father van [pre]: by, from, of vanavond [adv]: this evening vandaag [adv]: Today veel [num]: a lot of vergeten [verb]: forget verleden (het) [noun]: past verliefd [adj]: in love vervelend [adj]: annoying vinden [verb]: find vraag (de) [noun]: question mark vriend (de) [noun]: friend vriendin (de) [noun]: girlfriend vroeger [adv]: earlier, in the past vrouw (de) [noun]: woman waarom [pro]: Why wakker [adj]: awake wanneer [adv]: when want [con]: because wat [adv]: what we [ppro]: we wel [adv]: well, yes, indeed werkwoord (het) [noun]: verb wie [adv]: who wij [ppro]: We willen [verb]: to want, wish wonen [verb]: to live (in a house, city) worden [verb]: become ze [ppro]: she (single), they (plural) ziek [adj]: sick zien [verb]: to see zij [ppro]: she (single), they (plural) zijn [verb]: are zin (de) [noun]: sentence zoon (de) [noun]: son zullen [verb]: shall zus (de) [noun]: sister zwager (de) [noun]: brother-in-law -
Les 8 De familie – woordenlijst PDF
Les 8 De familie – woordenlijst PDF
-

Les 8 De familie
Les 8 De familie
-
Oma en opa – dictee ♪
Oma en opa – dictee ♪
- Luister
- Praat
- Schrijf
- Lees

Wat zegt de docent?
Dit zijn de ouders van Mia.
Wat zegt de docent?
Jesse en jasmijn zijn hun kleinkinderen.
Wat zegt de docent?
Mia is de dochter van oma en opa.
Wat zegt de docent?
Simon is hun schoonzoon.













