Puzzel, dictee en huiswerk




Dit is mijn gezicht.
Jij droogt jouw lichaam met een handdoek.
Zij wast haar benen.
Hij wast zijn buik.
Dit zijn uw handen.
Wij knippen onze haren met een schaar.

Op mijn hoofd heb ik haren.
Aan mijn handen heb ik vingers.
Aan mijn vingers zitten nagels.
Mijn tenen zitten aan mijn voeten.
En dit is mijn kleine teentje.