Categorie: Alle lessen
De 10 openingspagina’s per les
-
Hebben of zijn – 2
Hebben of zijn – 2
-
Scrabble 3
Scrabble 3
-
Hebben of zijn – 3
Hebben of zijn – 3
-
Puzzel – Filippine
Puzzel – Filippine
-
Het huis – einddictee ♪
Het huis – einddictee ♪
- Luister
- Praat
- Schrijf
- Lees

Wat zegt de docent?
Het bed staat in de slaapkamer.
Wat zegt de docent?
Het dak en de deur van mijn huis zijn rood.
Wat zegt de docent?
Hij zuigt de vloer schoon met een stofzuiger.
Wat zegt de docent?
Jesse zit op de stoel in de huiskamer.
Wat zegt de docent?
Mia en Simon kijken naar de televisie.
Wat zegt de docent?
Welke doek is droog, en welke doek is nat?
-
Het lichaam – dictee ♪
Het lichaam – dictee ♪
- Luister
- Praat
- Schrijf
- Lees

Wat zegt de docent?
Ik was mijn lichaam met water en zeep.
Wat zegt de docent?
Jij hebt pijn in jouw hoofd en pijn in jouw keel.
Wat zegt de docent?
Zij meet haar temperatuur met de thermometer.
Wat zegt de docent?
U hebt de griep, ik geef u een recept.
Wat zegt de docent?
De man brengt het recept naar de apotheek.
-
Huiswerk – lezen ♪
Huiswerk – lezen ♪
Jan heeft buikpijn.
Luister eerst naar de tekst, en lees hem dan.
Als Jan wakker wordt, heeft hij pijn in zijn buik. Hij denkt dat hij ziek is. Hij meet zijn temperatuur: die is goed, hij heeft geen verhoging.Hij denkt: “wat heb ik gisteravond gegeten?”.
Hij was bij Sahir, zijn vriend. Er was een voetbalwedstrijd op de televisie. Jan en Sahir keken samen naar het voetbal.
Luister verder naar de twee teksten, en lees ze daarna.
Ze aten veel patat en hamburgers. Ze hebben ook veel cola gedronken. De buiken van Jan en Sahir waren helemaal vol.
Hun team heeft de wedstrijd gewonnen, ze waren blij. Maar nu is hij een beetje ziek.
Gelukkig heeft hij vrij, hij hoeft niet naar zijn werk. Hij slikt een maagtablet, en hij gaat naar de wc.
Luister verder naar de twee teksten, en lees ze daarna.
Jan neemt een warme douche, en hij eet een gezond ontbijt. Nu voelt hij zich al weer veel beter. De zon schijnt, hij gaat buiten een uur sporten.
Jan en Sahir zijn blij. Hun team heeft gewonnen, ze hebben lekker gegeten – maar wel te veel!
Het is mooi weer. Jan is niet meer ziek, hij is gelukkig.
