Categorie: Alle lessen

De 10 openingspagina’s per les

  • Kennis maken – woorden 1 ♪

    Kennis maken – woorden 1 ♪

    Overzicht les 1

    De docent leest de tekst voor.

  • De familie – woorden ♪

    De familie – woorden ♪

    Overzicht les 8

    Pagina’s: 1 2 3 4

  • Onder de douche ♪

    Onder de douche ♪

    Overzicht les 4

    De docent leest de tekst voor.

  • Eten en drinken – woorden in de les ♪

    Eten en drinken – woorden in de les ♪

    Overzicht les 6

    Pagina’s: 1 2 3 4 5 6

  • Het vervoer – woorden

    Het vervoer – woorden

    Het vervoer – woorden

    Overzicht les 9

  • De kleding – woorden ♪

    De kleding – woorden ♪

    Overzicht les 7

    Pagina’s: 1 2 3 4

  • De vrije tijd – woorden

    De vrije tijd – woorden

    De vrije tijd – woorden

    Overzicht les 10

  • Woorden in de winkel ♪

    Woorden in de winkel ♪

    Overzicht les 5

    Pagina’s: 1 2 3 4

  • Les 1 Kennis maken – woordenlijst

    Les 1 Kennis maken – woordenlijst

    Overzicht woordenlijsten

    acht [num]: eight
    achter [pre]: behind
    achternaam (de) [noun]: surname
    allemaal [num]: all, every
    ananas (de) [noun]: pineapple
    antwoord (het) [noun]: answer
    appel (de) [noun]: apple
    avond (de) [noun]: evening
    baard (de) [noun]: beard
    bad (het) [noun]: bath
    bank (de) [noun]: bank
    bed (het) [noun]: bed
    beer (de) [noun]: bear
    bil (de) [noun]: buttock
    blauw [adj]: blue
    boek (het) [noun]: book
    boom (de) [noun]: tree
    bord (het) [noun]: board
    brief (de) [noun]: letter
    brood (het) [noun]: bread
    bus (de) [noun]: bus
    dag (de) [noun]: day
    dank (de) [noun]: thanks
    de [art]: the
    dictee (het) [noun]: dictation
    dik [adj]: thick
    dit [pro]: this
    docent (de) [noun]: lecturer
    donkere [adj]: dark
    dorp (het) [noun]: village
    draad (de) [noun]: wire
    drie [num]: three
    dun [adj]: thin
    duur [adj]: duration
    een [num]: An
    één [num]: one (1)
    einde (het) [noun]: end
    en [con]: and
    eten [verb]: to eat
    feest (het) [noun]: party
    filippine-puzzel (de) [noun]: Philippine puzzle
    geboren [adv]: born
    geel [adj]: yellow
    geld (het) [noun]: money
    geven [verb]: give
    goededag [exp]: good day
    goedemiddag [exp]: Good afternoon
    goedemorgen [exp]: Good morning
    goedenavond [exp]: Good evening
    groen [adj]: green
    groeten [verb]: greetings
    groot [adj]: big
    haan (de) [noun]: rooster
    hand (de) [noun]: hand
    het [art]: It
    hij [ppro]: he
    hoe [adv]: how
    hond (de) [noun]: dog
    ik [ppro]: I
    in [pre]: in
    jaar (het) [noun]: year
    je [ppro]: you
    jij [ppro]: you
    jongen (de) [noun]: boy
    juf (de) [noun]: woman teacher
    jullie [ppro]: plural you, your
    kast (de) [noun]: cupboard
    keel (de) [noun]: throat
    kennis (de) [noun]: knowledge
    kers (de) [noun]: cherry
    kind (het) [noun]: child
    kleur (de) [noun]: colour
    klinker (de) [noun]: vowel
    kom (de) [noun]: a bowl, to come
    korte [adj]: short
    krijgen [verb]: to get
    kus (de) [noun]: kiss
    lang [adj]: long
    lezen [verb]: read
    links [adj]: left
    maan (de) [noun]: Moon
    maken [verb]: to make
    man (de) [noun]: man
    meisje (het) [noun]: girl
    melk (de) [noun]: milk
    meneer (de) [noun]: sir
    mens (de) [noun]: person, human
    met [pre]: with
    mevrouw (de) [noun]: Madam
    middag (de) [noun]: afternoon
    mijn [pro]: my, mine
    morgen (de) [noun]: tomorrow
    muts (de) [noun]: hat
    muur (de) [noun]: wall
    naast [pre]: next to
    nacht (de) [noun]: night
    nederland [name]: The Netherlands
    nederlands [adj]: Dutch
    negen [num]: nine
    nul [num]: zero
    of [con]: or
    onder [pre]: under
    op [pre]: on
    oud [adj]: old
    pen (de) [noun]: pen
    pil (de) [noun]: pill
    poes (de) [noun]: woman cat, sweet cat
    praten [verb]: talk
    rood [adj]: red
    schrijven [verb]: to write
    ster (de) [noun]: star
    stoel (de) [noun]: chair
    student (de) [noun]: student
    stuur (het) [noun]: steer (car, bicycle)
    tafel (de) [noun]: table
    tas (de) [noun]: bag
    tellen [verb]: to count
    tien [num]: ten
    tot [pre]: to, until
    tussen [pre]: between
    twaalf [num]: twelve
    twee [num]: two
    u [ppro]: you formal, respect
    uit [pre]: out
    uur (het) [noun]: o’clock
    van [pre]: by, from, of
    vier [num]: four
    vijf [num]: five
    volgende [num]: next
    voor [pre]: for
    voornaam (de) [noun]: first name
    vraag (de) [noun]: question mark
    vragen [verb]: to ask
    vrouw (de) [noun]: woman
    vuur (het) [noun]: fire
    waar [adv]: true, where
    wat [adv]: what
    week (de) [noun]: week
    wel [adv]: well, yes, indeed
    welke [adv]: which
    wie [adv]: who
    wij [ppro]: We
    wit [adj]: white
    zes [num]: six
    zeven [num]: seven
    zij [ppro]: she (single), they (plural)
    zijn [verb]: are
    zin (de) [noun]: sentence
    zitten [verb]: to sit
    zon (de) [noun]: sun
    zoon (de) [noun]: son
    zwart [adj]: black