Categorie: Alle lessen
De 10 openingspagina’s per les
-
De familie – woorden ♪
De familie – woorden ♪

-
Eten en drinken – woorden in de les ♪
Eten en drinken – woorden in de les ♪

-
-
De kleding – woorden ♪
De kleding – woorden ♪

-
-
Woorden in de winkel ♪
Woorden in de winkel ♪

-
Les 1 Kennis maken – woordenlijst
Les 1 Kennis maken – woordenlijst
acht [num]: eight achter [pre]: behind achternaam (de) [noun]: surname allemaal [num]: all, every ananas (de) [noun]: pineapple antwoord (het) [noun]: answer appel (de) [noun]: apple avond (de) [noun]: evening baard (de) [noun]: beard bad (het) [noun]: bath bank (de) [noun]: bank bed (het) [noun]: bed beer (de) [noun]: bear bil (de) [noun]: buttock blauw [adj]: blue boek (het) [noun]: book boom (de) [noun]: tree bord (het) [noun]: board brief (de) [noun]: letter brood (het) [noun]: bread bus (de) [noun]: bus dag (de) [noun]: day dank (de) [noun]: thanks de [art]: the dictee (het) [noun]: dictation dik [adj]: thick dit [pro]: this docent (de) [noun]: lecturer donkere [adj]: dark dorp (het) [noun]: village draad (de) [noun]: wire drie [num]: three dun [adj]: thin duur [adj]: duration een [num]: An één [num]: one (1) einde (het) [noun]: end en [con]: and eten [verb]: to eat feest (het) [noun]: party filippine-puzzel (de) [noun]: Philippine puzzle geboren [adv]: born geel [adj]: yellow geld (het) [noun]: money geven [verb]: give goededag [exp]: good day goedemiddag [exp]: Good afternoon goedemorgen [exp]: Good morning goedenavond [exp]: Good evening groen [adj]: green groeten [verb]: greetings groot [adj]: big haan (de) [noun]: rooster hand (de) [noun]: hand het [art]: It hij [ppro]: he hoe [adv]: how hond (de) [noun]: dog ik [ppro]: I in [pre]: in jaar (het) [noun]: year je [ppro]: you jij [ppro]: you jongen (de) [noun]: boy juf (de) [noun]: woman teacher jullie [ppro]: plural you, your kast (de) [noun]: cupboard keel (de) [noun]: throat kennis (de) [noun]: knowledge kers (de) [noun]: cherry kind (het) [noun]: child kleur (de) [noun]: colour klinker (de) [noun]: vowel kom (de) [noun]: a bowl, to come korte [adj]: short krijgen [verb]: to get kus (de) [noun]: kiss lang [adj]: long lezen [verb]: read links [adj]: left maan (de) [noun]: Moon maken [verb]: to make man (de) [noun]: man meisje (het) [noun]: girl melk (de) [noun]: milk meneer (de) [noun]: sir mens (de) [noun]: person, human met [pre]: with mevrouw (de) [noun]: Madam middag (de) [noun]: afternoon mijn [pro]: my, mine morgen (de) [noun]: tomorrow muts (de) [noun]: hat muur (de) [noun]: wall naast [pre]: next to nacht (de) [noun]: night nederland [name]: The Netherlands nederlands [adj]: Dutch negen [num]: nine nul [num]: zero of [con]: or onder [pre]: under op [pre]: on oud [adj]: old pen (de) [noun]: pen pil (de) [noun]: pill poes (de) [noun]: woman cat, sweet cat praten [verb]: talk rood [adj]: red schrijven [verb]: to write ster (de) [noun]: star stoel (de) [noun]: chair student (de) [noun]: student stuur (het) [noun]: steer (car, bicycle) tafel (de) [noun]: table tas (de) [noun]: bag tellen [verb]: to count tien [num]: ten tot [pre]: to, until tussen [pre]: between twaalf [num]: twelve twee [num]: two u [ppro]: you formal, respect uit [pre]: out uur (het) [noun]: o’clock van [pre]: by, from, of vier [num]: four vijf [num]: five volgende [num]: next voor [pre]: for voornaam (de) [noun]: first name vraag (de) [noun]: question mark vragen [verb]: to ask vrouw (de) [noun]: woman vuur (het) [noun]: fire waar [adv]: true, where wat [adv]: what week (de) [noun]: week wel [adv]: well, yes, indeed welke [adv]: which wie [adv]: who wij [ppro]: We wit [adj]: white zes [num]: six zeven [num]: seven zij [ppro]: she (single), they (plural) zijn [verb]: are zin (de) [noun]: sentence zitten [verb]: to sit zon (de) [noun]: sun zoon (de) [noun]: son zwart [adj]: black









