Categorie: Les 02 Het huis

  • Het huis – woorden ♪

    Het huis – woorden ♪

    Het huis – woorden ♪

    Overzicht les 2

    Pagina’s: 1 2 3

  • Les 2 Het huis – woordenlijst

    Les 2 Het huis – woordenlijst

    Overzicht woordenlijsten

    aan [adj]: on
    aanrecht (het) [noun]: kitchen counter
    aanwijzen [verb]: to assign, point at
    aardappel (de) [noun]: potato
    acht [num]: eight
    af [pre]: off
    altijd [adv]: always
    antwoord (het) [noun]: answer
    bad (het) [noun]: bath
    badkamer (de) [noun]: bathroom
    bank (de) [noun]: bank
    bed (het) [noun]: bed
    beginnen [verb]: begin
    beneden [adj]: downstairs
    bezem (de) [noun]: broom
    blauw [adj]: blue
    boek (het) [noun]: book
    boven [adj]: above
    bruin [adj]: brown
    buiten [adv]: outside
    cijfer (het) [noun]: number
    computer (de) [noun]: computer
    daar [adv]: there
    dak (de) [noun]: roof
    dat [pro]: that
    de [art]: the
    deken (de) [noun]: blanket
    deur (de) [noun]: door
    deze [pro]: this / these
    dicht [adj]: closed
    dictee (het) [noun]: dictation
    die [pro]: that / those
    dit [pro]: this
    docent (de) [noun]: lecturer
    doek (de) [noun]: cloth
    doen [verb]: doing
    donker [adj]: dark
    douche (de) [noun]: shower
    drie [num]: three
    droog [adj]: dry
    dweilen [verb]: mop
    een [num]: An
    eindigen [verb]: end, finish
    emmer (de) [noun]: bucket
    en [con]: and
    eten [verb]: to eat
    fornuis (het) [noun]: oven
    foto (de) [noun]: photo
    gaan [verb]: to go
    geel [adj]: yellow
    goedemorgen [exp]: Good morning
    gordijn (het) [noun]: curtain
    grammatica (de) [noun]: grammar
    groen [adj]: green
    handdoek (de) [noun]: towel
    hebben [verb]: to have
    het [art]: It
    hier [adv]: here
    hij [ppro]: he
    hoeveel [pro]: how many
    hoofdletter (de) [noun]: capital letter
    huis (het) [noun]: house
    huishouden (het) [noun]: households
    huiskamer (de) [noun]: living room
    ik [ppro]: I
    in [pre]: in
    ja [adv]: Yes
    jij [ppro]: you
    jongen (de) [noun]: boy
    kamer (de) [noun]: room
    kast (de) [noun]: cupboard
    keuken (de) [noun]: kitchen
    kijken [verb]: to look
    kleed (het) [noun]: carpet, cloth, dress
    klein [adj]: small
    klok (de) [noun]: clock
    koelkast (de) [noun]: refrigerator
    koken [verb]: to cook
    kopen [verb]: buy
    kraan (de) [noun]: crane
    kussen (het) [noun]: to kiss
    lachen [verb]: laugh
    laken (het) [noun]: sheet
    lamp (de) [noun]: lamp
    letter (de) [noun]: character (a, b, c)
    licht [adj]: light
    liggen [verb]: to lie down
    lopen [verb]: to walk
    lucht (de) [noun]: air
    magnetron (de) [noun]: microwave
    maken [verb]: to make
    met [pre]: with
    mijn [pro]: my, mine
    mijzelf [adv]: myself
    moe [adj]: tired
    muur (de) [noun]: wall
    naar [pre]: to (direction)
    naast [pre]: next to
    nat [adj]: wet
    nee [adv]: no
    negen [num]: nine
    niet [adv]: not
    nul [num]: zero
    of [con]: or
    om [pre]: to, around, at (time)
    onder [pre]: under
    ook [adv]: also
    op [pre]: on
    open [adj]: Open
    pan (de) [noun]: Pan
    pech (de) [noun]: bad luck
    plant (de) [noun]: plant
    poes (de) [noun]: woman cat, sweet cat
    punt (de) [noun]: point
    raam (het) [noun]: window
    radio (de) [noun]: radio
    rijst (de) [noun]: rice
    ring (de) [noun]: ring
    rood [adj]: red
    schoon [adj]: clean
    slaapkamer (de) [noun]: bedroom
    slang (de) [noun]: snake
    slapen [verb]: to sleep
    spiegel (de) [noun]: mirror
    spons (de) [noun]: sponge
    staan [verb]: to stand
    stoel (de) [noun]: chair
    stofzuiger (de) [noun]: vacuum cleaner
    sturen [verb]: to steer
    stuur (het) [noun]: steer (car, bicycle)
    tafel (de) [noun]: table
    tandenborstel (de) [noun]: toothbrush
    tang (de) [noun]: pliers
    tegenstelling (de) [noun]: contrast, contradiction
    televisie (de) [noun]: television
    tellen [verb]: to count
    tien [num]: ten
    tong (de) [noun]: tongue
    tuin (de) [noun]: garden
    twaalf [num]: twelve
    twee [num]: two
    ui (de) [noun]: onion
    uit [pre]: out
    uur (het) [noun]: o’clock
    van [pre]: by, from, of
    vegen [verb]: sweep
    vier [num]: four
    vies [adj]: dirty
    vijf [num]: five
    vloer (de) [noun]: floor
    vraag (de) [noun]: question mark
    vraagteken (het) [noun]: question mark
    waar [adv]: true, where
    wakker [adj]: awake
    warm [adj]: warm
    washand (de) [noun]: washcloth
    wassen [verb]: to wash
    wastafel (de) [noun]: washbasin
    wat [adv]: what
    water (het) [noun]: water
    wc (de) [noun]: toilet
    wekker (de) [noun]: alarm clock
    welke [adv]: which
    welterusten [exp]: Good night
    wij [ppro]: We
    wonen [verb]: to live (in a house, city)
    worden [verb]: become
    zeep (de) [noun]: soap
    zeggen [verb]: to say
    zes [num]: six
    zeven [num]: seven
    zij [ppro]: she (single), they (plural)
    zijn [verb]: are
    zin (de) [noun]: sentence
    zitten [verb]: to sit
    zolder (de) [noun]: attic
    zuigen [verb]: suck
    zwabber (de) [noun]: mop for cleaning the floor
  • Dit is mijn huis ♪

    Dit is mijn huis ♪

    Overzicht les 2

    Luister naar de docent
  • De huiskamer en tegenstellingen

    De huiskamer en tegenstellingen

    De huiskamer en tegenstellingen

    Overzicht les 2

  • Tellen en de keuken

    Tellen en de keuken

    Tellen en de keuken

    Overzicht les 2

  • De badkamer van mijn huis

    De badkamer van mijn huis

    De badkamer van mijn huis

    Overzicht les 2

  • Dit is mijn huis – dictee ♪

    Dit is mijn huis – dictee ♪

    Overzicht les 2

    1. Luister: luister eerst goed wat de docent zegt. Begrijp je wat de docent zegt?
    2. Praat: herhaal wat de docent zegt. Luister nog een keer.
    3. Schrijf: schrijf op wat de docent zegt.
    4. Lees: kijk of je het goed hebt geschreven.