Werkwoorden – dictee ♪
Wat zegt de docent?
Zij leest een boek.
Wat zegt de docent?
U schrijft een brief.
Wat zegt de docent?
Wij eten een appel.
Wat zegt de docent?
Jullie geven bloemen.
Wat zegt de docent?
Zij krijgen bloemen.
Wat zegt de docent?
Ik lig, hij zit, wij staan.
