- Luister
- Praat
- Schrijf
- Lees
Wat zegt de docent?
Ik ben precies op tijd.
Wat zegt de docent?
Jullie zijn tien (10) minuten te laat.
Wat zegt de docent?
U bent een half uur te vroeg.
Wat zegt de docent?
Zij zijn een uur te laat.
Wat zegt de docent?
Hij heeft een afspraak met Sara.


