- Luister
- Praat
- Schrijf
- Lees
Wat zegt de docent?
In een kalender staan datums.
Wat zegt de docent?
In een agenda staan afspraken.
Wat zegt de docent?
Dit is jouw agenda.
Wat zegt de docent?
Met wie heb jij een afspraak?
Wat zegt de docent?
Hoe laat hebben wij een afspraak?


