1.4 Dictee – Personen
- Luister
- Praat
- Schrijf
- Lees
Wat zegt de docent?
Ik heet Lisa, ik ben een meisje.
Wat zegt de docent?
Jij heet Tom, jij bent een jongen.
Wat zegt de docent?
U heet Emma, u bent een vrouw.
Wat zegt de docent?
Zij zijn een jongen en een man.
Wat zegt de docent?
Zij zijn twee vrouwen.


